24. Maison Amsterdam, de stad, de mode, de vrijheid…

Na blogbericht 22 over de voorbereiding van de tentoonstelling Maison Amsterdam moest er in het depot nog hard gewerkt worden om alles op tijd klaar te krijgen. En dat is gelukt!

Klaar voor vervoer

Op 8 september werden de poppen en de kleding vervoerd naar de Nieuwe Kerk. Vanaf donderdag 9 september werkten we met een grote groep verschillende mensen hard aan het inrichten van de expositie.

V.l.n.r. onbekende maker, Mac & Maggie, Puck & Hans

De sfeer was geweldig. Er werd niet gezeurd;  iedereen werkte vol enthousiasme stevig door om er samen een mooi geheel van te maken. Lunchen deden we aan een grote tafel en we praatten veel.

Wachten op de jurk

Dat er heel wat komt kijken bij het maken van een tentoonstelling wist ik natuurlijk wel uit eigen ervaring. Sommige kledingstukken moesten toch opnieuw op de pop worden gezet of bijgewerkt.

Paars: Puck & Hans, Rood: Frans Molenaar

Stukjes fiberfill onder kragen geplaatst zodat die mooi bleven zitten. Mottenpapier onzichtbaar in een zijden jurk. Pantykousen gebruiken om armpjes te maken voor de truitjes bij de bevrijdingsrokken.

Alles bij de hand

Naald en draad kwam goed te pas toen ik een trouwjurk van Puck & Hans moest veranderen toen stylist Maarten Spruyt me dat vroeg. Wat een schat is die man, zo zonder kapsones!

Collectie schoenen van Maarten Spruyt

Bij een grote tentoonstelling als dit zijn veel verschillende mensen bezig met de voorbereiding, ieder met een eigen specialiteit,  ook met het uiteindelijke opstellen van de tentoonstelling.

Patta!

Ninke Bloemberg, modeconservator bij het Amsterdam Museum en het Centraal Museum en Pieter Eckhardt, conservator van de Nieuwe Kerk maakten de keuzes voor wat er wordt tentoongesteld. Zij hebben een tentoonstelling vol diversiteit samengesteld. Je komt historische kleding tegen maar ook kleding van de huidige generatie jonge ontwerpers. Je ziet prachtige combinaties zoals in het onderdeel uitgaan een jurk uit de twintiger jaren naast een punkoutfit.

De catwalk in het koor van de Nieuwe Kerk

Vormgever Tatyana van Walsum ontwierp de inrichting van de tentoonstelling. Ze plaatste grote schermen met historische foto’s in de ruimte. Daartegen staan zo’n honderd verschillende kledingstukken die allemaal een verhaal vertellen en samen een grote geschiedenis vertegenwoordigen.

Een weesmeisje op het onderdeel De Dam

De indrukwekkende ruimte van de Nieuwe Kerk stelt ook zijn eisen: hoe ga je daarmee om met naar verhouding kleine kledingstukken? Dan zijn er ook allerlei technici nodig die bijvoorbeeld gaten in schoenen kunnen boren zodat de poppen stevig op hun standaard staan. En mensen van de belichting die alles precies moeten uitlichten. 

De opening op vrijdagavond 17 september was geweldig om mee te maken. Een heel divers publiek  genoot van de tentoonstelling en van elkaar. Heren in keurige kostuums, maar ook mannen in fetish en in werkmanskleding. Dames in mantelpak maar ook in experimentele jurken of kleding van Amsterdamse designers. Er waren toespraken, veel applaus en witte wijn in een sfeer van ‘wat heerlijk dat het weer kan’ (je QR code moest je natuurlijk laten zien). Actrice Bo Bojoh speelde Fong Leng (die in het publiek zat) en liet een weergaloze monoloog van deze grand lady horen.

Foto: Sam Eye Am

Ik droeg voor die gelegenheid mijn oude Puck & Hans zijden blouse die ik van Bram had gekregen en die ik aanhad tijdens de modeshow van mijn eindcollectie aan de academie in 1988. Altijd bewaard ondanks dat ik hem al had versteld. Toevallig stond Puck voor mij die verbaasd was dat die blouse nog zo goed was. Hij bleek gemaakt van oude sari’s die ze opnieuw hadden laten verven. De zijde was daardoor nog kwetsbaarder geworden. Dat ontdekte ik toen ik thuis kwam: er zat weer een gat in! Repareren is wat er moet gebeuren; dit overhemd heeft er weer een verhaal bij.

De kwetsbaarheid van zijde

Dan de tentoonstelling. Je maakt als het ware een wandeling door Amsterdam. Beginnend op De Dam (waar ook de Nieuwe Kerk staat) en via verschillende plekken in de stad zoals de Zeedijk, het Oosterpark en het Leidseplein kom je uiteindelijk weer op De Dam terug.

De Dam als centrum waar veel is gebeurd: de Damslapers, de hippies, de demonstranten tegen het koningshuis en woningnood, de trouwerijen en de kermis.

Ik vind het elke keer een feest om door de tentoonstelling te lopen.  Al die stoffen, vormen, kleuren en de verhalen erachter. Het bijbehorende boek geeft veel achtergrondinformatie.

Het boek met veel achtergrondinformatie

Komende maanden geef ik met enige regelmaat rondleidingen aan allerlei verschillende groepen. Van brugklassers tot hbo-studenten modejournalistiek. Van mbo-modeleerlingen tot cursisten van modevakopleidingen en andere geïnteresseerden.  Heerlijk dat ik daar nu de tijd en ruimte voor heb.

Ik hoop dat je nieuwsgierig bent geworden naar de tentoonstelling en dat je erheen gaat.

Wie weet komen we elkaar tegen. De komende tijd ga ik met een zekere regelmaat een kledingstuk uit de tentoonstelling centraal stellen in dit blog.

8. Het begin van mijn liefde voor textiel

‘Hoe komt het toch dat jij zo geïnteresseerd bent in textiel?’ Die vraag werd me laatst gesteld. Het simpel antwoord is: door mijn moeder en tante Geertje.

Ik ben geboren in 1958 in een traditioneel gezin. Mijn vader werkte en verdiende het geld, mijn moeder was huisvrouw, en dat werd toen niet als werk gezien. Er waren drie zonen, ik ben de jongste. We waren niet arm, maar zeker ook niet rijk. Er werd zuinig geleefd. Mijn vader droeg pakken voor zijn werk. Mijn moeder maakte al haar eigen kleren zelf. Ik droeg vaak kleding die zij had  gemaakt.

Een feestshirt gemaakt door mijn moeder. Gemaakt van katoenen streepstof in wit, groen, geel en rood. Gefotografeerd door een beroepsfotograaf die bij ons thuis kwam.
Helaas is de foto beschadigd maar hier draag ik dat feestshirt op een familiefeest. Mijn moeder uiteraard gekleed in een zelf gemaakt pakje. Ik was denk ik een jaar of 6 en mijn moeder 46.

Als jonge jongen keek ik met bewondering naar haar vaardige handen. Ze kon veel: truien breien, broeken en shirts naaien, pannenlappen haken en zelfs de voorluifel van de caravan dichtmaken door er banen stof en ritsen in te zetten. Ik vond het leuk haar te helpen met wol opwinden. Een oude trui werd uitgehaald, de wol gewassen en in een streng te drogen gehangen. Zo’n streng hield ik met twee handen op en dan wikkelde zij er een bol van.  

Stof kocht mijn moeder op de markt in Zutphen. Daar had ze haar vaste kramen: hier badstof voor een badjas en daar bij een andere kraam corduroy voor een hip safari pak. Een rok in warme winterstof of een jurk van katoen. Ribcord voor stevige broeken in de winter en lichte stof voor broeken voor de zomer. Ze maakte vakantiekleren voor ons; die van haarzelf waren het laatst aan de beurt. Vaak werkte ze dan door tot laat in de nacht voor we de volgende ochtend weggingen. Opofferen zou ik  het nu noemen en jezelf op de laatste plaats zetten. Het heeft ook iets droevigs nu ik er aan terug denk, want mijn moeder had de capaciteiten om meer te leren.

Mensen die met textiel werken, kijken niet alleen met hun ogen maar ook met hun handen. De vingers van mijn moeder voelden die verschillende stoffen op de markt. Soms ging ik met haar mee en zag ik al die stoffen in de kramen op de markt van Zutphen. Ergens moet daar iets gebeurd zijn: ik werd geraakt, misschien door alle kleuren, dessins, texturen en structuren. Die marktkramen kan ik nog altijd voor me zien en de stoffen zijn bijna opnieuw voelbaar.

Als er iets bijzonders gemaakt moest worden, ging mijn moeder naar de chique stoffenhandel Voerknecht in de Turfstraat. Dat was een deftige winkel met wanden vol prachtige rollen stof en dames in jasschorten die achter houten kniptafels stonden en hielpen met keuzes maken. Die grote winkel en de geur die er hing, imponeerden mij. Het was er schoon en het rook naar nieuwe stoffen. En dan die verkoopsters die met een halve- meter-stok de stoffen maten en dan doorknipten! Ik heb het hele internet afgezocht voor een foto van die winkel maar helaas niks gevonden.

Patronen haalde mijn moeder uit de zelfmaakmodetijdschriften Marion en Knip. Later had ze een abonnement op de Burda, dat Duitse tijdschrift met goede kledingstukken en heldere patronen. Ze nam die knippatronen over met een ‘raderwieltje’ op patroonpapier. Het verbaasde me altijd dat ze de goede lijnen kon vinden om zo het patroon er uit te krijgen. Zelf heb ik nu een aantal Japanse patronenboeken van herenkleding en ik merk dat het niet altijd eenvoudig is om alle patroondelen er goed uit te krijgen.

Patroon Japans herenkledingboek

Ik ben nooit achter de naaimachine gekropen onder leiding van mijn moeder. Waarom weet ik niet. Er is iets geweest met een blauw India-sprei gekocht bij de Xenos. Daar zou een ochtendjas van gemaakt worden. Die is wel geknipt maar nooit in elkaar gezet. Ik denk dat ik veel van mijn moeder had kunnen leren hoewel haar preciesheid het tegenovergesteld was van mijn kunnen.

Het meeste wat mijn moeder maakte, was praktisch van aard; heel af en toe liet ze haar fantasie de vrije loop. Die inspiratie hiervoor kwam door handwerkcursussen, via het tijdschrift Ariadne en door aanschaf, omstreeks 1975, van de cursus: ‘Het Komplete Handwerken’ in de onderhand beroemde rode mappen. Die mappen staan bij mij in de boekenkast en de inhoud gebruik ik vaak voor mijn lessen.

Onmisbaar en vol goede informatie: Het Komplete Handwerken van Henriëtte Beukers

Af en toe kwam mijn tante Geertje op bezoek. Zij was de zus van mijn vader. Ze naaide en verstelde kleding bij een predikantengezin in de buurt van Meppel waar ze woonde en ze gaf naailes aan de eerste lichting Marokkaanse vrouwen bij haar thuis. Het handwerken zat haar in het bloed.  Ze hield er zo van dat ze altijd wat bij zich had om aan te werken. Een groot patchwork sprei of een tafellaken met doorstopwerk. Ze leerde me met sisaltouw een macramé plantenhanger te maken om een weckpot heen. Trots hing ik die voor het raam.

Breien leerde ik rond mijn 19de toen breien ineens hip was. Ik zat toen op de sociaal-pedagogische opleiding de Jelburg in Baarn en tijdens de lessen breiden we aan truien, dassen en mutsen. De docenten accepteerden dat; naast de stencils van sociologie – boeken hadden we niet in die tijd – lagen de meest ingewikkelde breipatronen. We hadden veel creatieve vakken, naast handvaardigheid ook muziek en drama. Mijn eerst trui breide ik met bruine wol van de Hema, een V-hals met ribbels tussen tricotsteken. In ons gezin werd daar raar tegenaan gekeken. Mijn vader vond het maar niets dat ik van ‘meisjesdingen’ hield. Later leerde ik in het geheim haken van mijn moeder, maar dat was het niet voor mij.

Om me voor te bereiden op de studie modevormgeving aan de kunstacademie in Arnhem besloot ik naailes te nemen. Modeontwerper wilde ik worden. Ik woonde samen met Bram die binnenhuisarchitectuur had gestudeerd en die me stimuleerde om naar de avondschool te gaan. Als voorbereiding ging ik elke dinsdagavond naar Gorssel waar ik tussen dames die het alleen maar hadden over goedkope lapjes de eerste steken zette. Uiteindelijk kwam ik thuis met een groen overhemd dat ik nooit heb gedragen.

Toelating voor de academie deed ik op een zaterdag in mei 1984. Het was de tijd van de lappenmode van Japanse modeontwerpers als Comme des Garçons en Yamamoto. Ik ging er heen in een roze overhemd en een khaki-kleurige broek. Ik zag er de meest exotische geklede jonge mensen in de ‘lappenlook’; die deden allemaal een poging om aangenomen te worden.  We werden aan het werk gezet, moesten een collectie piratenkleding maken en een serie tekeningen waarbij je van het ene ontwerp naar het andere moest gaan. In die tijd had ik ook modeltekenles, maar van ontwerpen wist ik niets. Mijn geluk was wel dat ik niet bang was en vol enthousiasme begon te schilderen. De piratenkleding kwam niet verder dan iets met strepen.

Foto uit Mode in het juiste perspectief, uitgeverij Librero

Na het bekijken van mijn map modeltekeningen vroeg docent Loukie von Freyburg me waar mijn ontwerpen waren. ‘Die zitten in mijn hoofd,’ zei ik. ‘En ik wil de studie doen om ze er uit te krijgen. Die kans wil ik graag pakken want als ik 40 ben doe ik het niet meer en dan heb ik spijt dat ik het niet heb geprobeerd. Jullie moeten me daarbij helpen.’ Later hoorde ik dat ze me door die opmerkingen wel moesten aannemen omdat er zo’n sterke motivatie achter zat.

Op de kunstacademie kwam mijn textielliefde tot bloei. Kleding ontwerpen vond ik lastig maar experimenten met textiel daarentegen geweldig. In mijn eindcollectie ‘Heroes’ zaten dan ook veel textiele technieken zoals borduren en zijde-schilderen. Ook kwam de macramé-techniek van tante Geertje in de eindcollectie terug in een herenjasje door vriendin Birgitta geknoopt. Tante Geertje heeft ook nog een generaalsjas voor die collectie in elkaar gehaakt en van borduursels voorzien. Met haar enthousiasme voor alles wat textiel was, heeft ze me aangestoken.

1989 Eindollectie Heroes, Jagende mottorijder in tweed, leer, macramé en borduursels
1989 Eindollectie Heroes, Arme generaal in oude wollen deken, panden aan elkaar gehaakt en vol borduursels. Pak van geverfde PLO shalws met gouden knoopjes een kwastjes.

Vorig voorjaar deed ik mee aan de uitdaging Stich Challenge en maakte ik een ode aan mijn moeder. Na de lagere school moest ze thuis blijven en het huishouden doen voor haar zieke moeder. Zo was dat in die tijd en daar klaagde je niet over. Dat ze diëtiste in een ziekenhuis had willen worden, heeft ze me verteld. En ook dat ze het vreselijk vond dat ze de schoenen moest dragen van haar oudere broers in plaats van leuke meisjesschoenen. Over haar jongensschoenen op de foto borduurde ik meisjesschoenen zoals haar vriendinnen droegen. De stoffen die ik gebruikte, waren haar zakdoekjes, shawls en handschoenen die ik had meegenomen na haar overlijden.

Dankzij haar en tante Geertje heeft mijn liefde voor textiel zich ontwikkeld tot op de dag van vandaag.