23. De Arc de Triomphe, twee keer anders

Parijs, we komen er graag. Door covid waren we er een tijd niet geweest, maar nu moesten we er echt heen: de ingepakte Arc de Triomphe van Christo en Jean-Claude zien. Een visueel feest dat slechts zestien dagen duurde, midden op Place Charles de Gaulle. Op 4 oktober startte het uitkleden van de Arc en vrij kort daarna is de ereboog weer in zijn normale glorie te zien.

Het inpakken van de Arc is een project van jaren geweest. De eerste tekening van Christo van een ingepakte Arc dateert uit 1961. Toestemming om het plan uit te voeren kostte het echtpaar C&JC jaren. Zoals gebruikelijk vroegen ze er geen cent subsidie voor en wilden ze niet werken met sponsors. Het project werd volledig gefinancierd door C&CJ zelf uit de verkoop van hun kunstwerken. Ze hebben hun Parijse droom zelf niet kunnen zien. Jean-Claude overleed in 2009, Christo in 2020.

Midden op dat immense plein staat dat grote bouwwerk met het graf voor de onbekende soldaat. Wij liepen er via de Avenue des Champs-Élysées naar toe. De gevel vol modeontwerpen van Dior keek ons lichtzinnig na.

Auto’s cirkelen eromheen; de belangrijkste boulevards komen er op uit. Via een ondergrondse tunnel kun je de triomfboog bereiken.

De eerste aanblik van de ingepakte Arc was overweldigend. Op een bewolkte maandagmiddag stond daar dat zilveren juweel in volle uitstraling. We bleven er tot het donker werd en de lichten aangingen. Ineens leek hij van goud.

De volgende twee dagen scheen de zon volop. Een strakblauwe lucht zorgde ervoor dat de triomfboog nog meer glom en nog meer aandacht vroeg. Wat ook opviel waren de rode koorden die de stof vasthielden en zorgden voor ontelbare plooien en rimpels die licht bewogen in de wind.

Op woensdagmorgen stonden we boven op het terras van de Arc. Het platform was een sprookje van zilver. De wereld daar was een grote hoes die over het terras was getrokken en waarover je kon lopen. De precisie waarmee dat alles was gemaakt, helemaal op vorm!

En dan het uitzicht naar alle kanten van Parijs. Onvergetelijk. Te weten dat dat wonder er maar even is en dat wij er waren.

Op het plein rondom de Arc liepen gidsen rond. In hun heuptas zaten kleine vierkantjes textiel die ze uitdeelden als je er om vroeg: hetzelfde materiaal als dat waarmee de Arc is ingepakt. Die inpakstof is speciaal ontwikkeld propyleen met een zilveren buitenkant en een blauwe binnenkant. Na het project zal de stof gerecycled worden.

Een gids vertelde dat de kleding die ze droegen speciaal ontworpen was door Issey Miyake. Ineens viel de plissé stof van de broek samen met de rimpels op de Arc. De gids zei dat ze na afloop de kleding mocht houden. Ik werd ogenblikkelijk jaloers.  Wie wil er nu niet een outfit van Miyake dragen?

Afmetingen? 25.000 vierkante meter en 3000 meter rood koord. Bedenk daarbij dat er kilometers naden gestikt zijn en dat alles moest kloppen voor de opbouw kon beginnen.

Een feestelijk meesterstuk! Een magistraal wonder! We hebben het gezien; een paar vierkantjes herinneren ons eraan.

De Arc de Triomphe is een van de gebouwen die Parijs beroemd heeft gemaakt in de wereld. Net als de Eiffeltoren, de Sacré-Cœur en het Louvre. Je vind afbeeldingen op sleutelhangers en mokken, op t-shirts en koelkastmagneten.

Hoe anders is dan het werk van Raoul Dufy ( Le Havre, 3 juni 1877 – Forcalquier, 23 maart 1953) waarin deze gebouwen een grote rol spelen. De tentoonstelling ‘Le Paris de Dufy’ in het kleine Museé de Montmartre liet ons Parijs door zijn ogen zien. Rijk van kleur, vol vrolijkheid en lichtheid. Alles met een directheid getekend of geschilderd, vol zwier en beweging.

Dat Dufy ook textiel heeft ontworpen wist ik niet. In een zaal stonden een bank en stoelen, bekleed met stoffen die hij heeft ontworpen. Vol rozen en andere bloemen en met alle gebouwen die Parijs zo Parijs maken.

Een geweven Arc de Triomphe midden op de rug van een stoel en klein, gezien vanaf Place de la Concorde, op een andere stoel.  

In de catalogus las ik dat Dufy een grote interesse in andere vormen van kunst had. Naast schilderen en tekenen heeft hij zich bezig gehouden met decors, keramiek, dessinontwerpen, mode en muurschilderingen. Ook weefsels hadden zijn grote interesse; in 1922 kwam hij in  contact met gobelinweverij ‘Manufacture de Beauvais’. De eigenaar, Jean Ajalbert, vroeg via het kunstenaarstijdschrift ‘Bulletin de la vie artistique’ welke kunstenaar van die tijd geschikt zou zijn om weefsels te ontwerpen die gebruikt konden worden om meubels te bekleden. Dufy maakte vervolgens nieuwe ontwerpen waarbij gebouwen van Parijs het uitgangspunt waren. Dat hij weinig van weven wist, zag hij zelf niet als een probleem; hij had toen al tien jaar ervaring met het ontwerpen van dessins voor de textielindustrie.

Het moet vast en zeker moeilijk zijn geweest om zijn ontwerpen te weven. Voor de wevers was het een grote uitdaging. Ze hadden nog nooit zoveel verschillende tinten garen gebruikt en die mochten niet door elkaar gehaald worden. Schaduwen, vormen en lijnen en daarbij ook nog alle verfstreken moesten omgezet worden in een weefsel. Dat het gelukt is, komt door de ervaring en het geduld van de wevers. De weefsels zijn schilderijen gevangen in garens, met dezelfde vrolijkheid en lichtheid als in zijn ander werk. Hoe mooi zou het zijn om een zo’n stoel te hebben! Mij maakt het niet uit welk gebouw er op staat. Op veilingsites worden ze af en toe aangeboden en voor astronomische bedragen verkocht. Het blijft dus een droom; gelukkig heb ik de meubels in het echt gezien en kunnen fotograferen.

In een zaal verderop stond een kamerscherm uit 1933 met als titel ‘Panorama de Paris’. Ook geweven in Beauvais; ook daarop is de Arc de Triomphe te zien naast andere beroemde Parijse monumenten.

Parijs zorgt altijd voor nieuwe ervaringen en de historische gebouwen zullen altijd een inspiratiebron blijven voor kunstenaars en ontwerpers.

8. Het begin van mijn liefde voor textiel

‘Hoe komt het toch dat jij zo geïnteresseerd bent in textiel?’ Die vraag werd me laatst gesteld. Het simpel antwoord is: door mijn moeder en tante Geertje.

Ik ben geboren in 1958 in een traditioneel gezin. Mijn vader werkte en verdiende het geld, mijn moeder was huisvrouw, en dat werd toen niet als werk gezien. Er waren drie zonen, ik ben de jongste. We waren niet arm, maar zeker ook niet rijk. Er werd zuinig geleefd. Mijn vader droeg pakken voor zijn werk. Mijn moeder maakte al haar eigen kleren zelf. Ik droeg vaak kleding die zij had  gemaakt.

Een feestshirt gemaakt door mijn moeder. Gemaakt van katoenen streepstof in wit, groen, geel en rood. Gefotografeerd door een beroepsfotograaf die bij ons thuis kwam.
Helaas is de foto beschadigd maar hier draag ik dat feestshirt op een familiefeest. Mijn moeder uiteraard gekleed in een zelf gemaakt pakje. Ik was denk ik een jaar of 6 en mijn moeder 46.

Als jonge jongen keek ik met bewondering naar haar vaardige handen. Ze kon veel: truien breien, broeken en shirts naaien, pannenlappen haken en zelfs de voorluifel van de caravan dichtmaken door er banen stof en ritsen in te zetten. Ik vond het leuk haar te helpen met wol opwinden. Een oude trui werd uitgehaald, de wol gewassen en in een streng te drogen gehangen. Zo’n streng hield ik met twee handen op en dan wikkelde zij er een bol van.  

Stof kocht mijn moeder op de markt in Zutphen. Daar had ze haar vaste kramen: hier badstof voor een badjas en daar bij een andere kraam corduroy voor een hip safari pak. Een rok in warme winterstof of een jurk van katoen. Ribcord voor stevige broeken in de winter en lichte stof voor broeken voor de zomer. Ze maakte vakantiekleren voor ons; die van haarzelf waren het laatst aan de beurt. Vaak werkte ze dan door tot laat in de nacht voor we de volgende ochtend weggingen. Opofferen zou ik  het nu noemen en jezelf op de laatste plaats zetten. Het heeft ook iets droevigs nu ik er aan terug denk, want mijn moeder had de capaciteiten om meer te leren.

Mensen die met textiel werken, kijken niet alleen met hun ogen maar ook met hun handen. De vingers van mijn moeder voelden die verschillende stoffen op de markt. Soms ging ik met haar mee en zag ik al die stoffen in de kramen op de markt van Zutphen. Ergens moet daar iets gebeurd zijn: ik werd geraakt, misschien door alle kleuren, dessins, texturen en structuren. Die marktkramen kan ik nog altijd voor me zien en de stoffen zijn bijna opnieuw voelbaar.

Als er iets bijzonders gemaakt moest worden, ging mijn moeder naar de chique stoffenhandel Voerknecht in de Turfstraat. Dat was een deftige winkel met wanden vol prachtige rollen stof en dames in jasschorten die achter houten kniptafels stonden en hielpen met keuzes maken. Die grote winkel en de geur die er hing, imponeerden mij. Het was er schoon en het rook naar nieuwe stoffen. En dan die verkoopsters die met een halve- meter-stok de stoffen maten en dan doorknipten! Ik heb het hele internet afgezocht voor een foto van die winkel maar helaas niks gevonden.

Patronen haalde mijn moeder uit de zelfmaakmodetijdschriften Marion en Knip. Later had ze een abonnement op de Burda, dat Duitse tijdschrift met goede kledingstukken en heldere patronen. Ze nam die knippatronen over met een ‘raderwieltje’ op patroonpapier. Het verbaasde me altijd dat ze de goede lijnen kon vinden om zo het patroon er uit te krijgen. Zelf heb ik nu een aantal Japanse patronenboeken van herenkleding en ik merk dat het niet altijd eenvoudig is om alle patroondelen er goed uit te krijgen.

Patroon Japans herenkledingboek

Ik ben nooit achter de naaimachine gekropen onder leiding van mijn moeder. Waarom weet ik niet. Er is iets geweest met een blauw India-sprei gekocht bij de Xenos. Daar zou een ochtendjas van gemaakt worden. Die is wel geknipt maar nooit in elkaar gezet. Ik denk dat ik veel van mijn moeder had kunnen leren hoewel haar preciesheid het tegenovergesteld was van mijn kunnen.

Het meeste wat mijn moeder maakte, was praktisch van aard; heel af en toe liet ze haar fantasie de vrije loop. Die inspiratie hiervoor kwam door handwerkcursussen, via het tijdschrift Ariadne en door aanschaf, omstreeks 1975, van de cursus: ‘Het Komplete Handwerken’ in de onderhand beroemde rode mappen. Die mappen staan bij mij in de boekenkast en de inhoud gebruik ik vaak voor mijn lessen.

Onmisbaar en vol goede informatie: Het Komplete Handwerken van Henriëtte Beukers

Af en toe kwam mijn tante Geertje op bezoek. Zij was de zus van mijn vader. Ze naaide en verstelde kleding bij een predikantengezin in de buurt van Meppel waar ze woonde en ze gaf naailes aan de eerste lichting Marokkaanse vrouwen bij haar thuis. Het handwerken zat haar in het bloed.  Ze hield er zo van dat ze altijd wat bij zich had om aan te werken. Een groot patchwork sprei of een tafellaken met doorstopwerk. Ze leerde me met sisaltouw een macramé plantenhanger te maken om een weckpot heen. Trots hing ik die voor het raam.

Breien leerde ik rond mijn 19de toen breien ineens hip was. Ik zat toen op de sociaal-pedagogische opleiding de Jelburg in Baarn en tijdens de lessen breiden we aan truien, dassen en mutsen. De docenten accepteerden dat; naast de stencils van sociologie – boeken hadden we niet in die tijd – lagen de meest ingewikkelde breipatronen. We hadden veel creatieve vakken, naast handvaardigheid ook muziek en drama. Mijn eerst trui breide ik met bruine wol van de Hema, een V-hals met ribbels tussen tricotsteken. In ons gezin werd daar raar tegenaan gekeken. Mijn vader vond het maar niets dat ik van ‘meisjesdingen’ hield. Later leerde ik in het geheim haken van mijn moeder, maar dat was het niet voor mij.

Om me voor te bereiden op de studie modevormgeving aan de kunstacademie in Arnhem besloot ik naailes te nemen. Modeontwerper wilde ik worden. Ik woonde samen met Bram die binnenhuisarchitectuur had gestudeerd en die me stimuleerde om naar de avondschool te gaan. Als voorbereiding ging ik elke dinsdagavond naar Gorssel waar ik tussen dames die het alleen maar hadden over goedkope lapjes de eerste steken zette. Uiteindelijk kwam ik thuis met een groen overhemd dat ik nooit heb gedragen.

Toelating voor de academie deed ik op een zaterdag in mei 1984. Het was de tijd van de lappenmode van Japanse modeontwerpers als Comme des Garçons en Yamamoto. Ik ging er heen in een roze overhemd en een khaki-kleurige broek. Ik zag er de meest exotische geklede jonge mensen in de ‘lappenlook’; die deden allemaal een poging om aangenomen te worden.  We werden aan het werk gezet, moesten een collectie piratenkleding maken en een serie tekeningen waarbij je van het ene ontwerp naar het andere moest gaan. In die tijd had ik ook modeltekenles, maar van ontwerpen wist ik niets. Mijn geluk was wel dat ik niet bang was en vol enthousiasme begon te schilderen. De piratenkleding kwam niet verder dan iets met strepen.

Foto uit Mode in het juiste perspectief, uitgeverij Librero

Na het bekijken van mijn map modeltekeningen vroeg docent Loukie von Freyburg me waar mijn ontwerpen waren. ‘Die zitten in mijn hoofd,’ zei ik. ‘En ik wil de studie doen om ze er uit te krijgen. Die kans wil ik graag pakken want als ik 40 ben doe ik het niet meer en dan heb ik spijt dat ik het niet heb geprobeerd. Jullie moeten me daarbij helpen.’ Later hoorde ik dat ze me door die opmerkingen wel moesten aannemen omdat er zo’n sterke motivatie achter zat.

Op de kunstacademie kwam mijn textielliefde tot bloei. Kleding ontwerpen vond ik lastig maar experimenten met textiel daarentegen geweldig. In mijn eindcollectie ‘Heroes’ zaten dan ook veel textiele technieken zoals borduren en zijde-schilderen. Ook kwam de macramé-techniek van tante Geertje in de eindcollectie terug in een herenjasje door vriendin Birgitta geknoopt. Tante Geertje heeft ook nog een generaalsjas voor die collectie in elkaar gehaakt en van borduursels voorzien. Met haar enthousiasme voor alles wat textiel was, heeft ze me aangestoken.

1989 Eindollectie Heroes, Jagende mottorijder in tweed, leer, macramé en borduursels
1989 Eindollectie Heroes, Arme generaal in oude wollen deken, panden aan elkaar gehaakt en vol borduursels. Pak van geverfde PLO shalws met gouden knoopjes een kwastjes.

Vorig voorjaar deed ik mee aan de uitdaging Stich Challenge en maakte ik een ode aan mijn moeder. Na de lagere school moest ze thuis blijven en het huishouden doen voor haar zieke moeder. Zo was dat in die tijd en daar klaagde je niet over. Dat ze diëtiste in een ziekenhuis had willen worden, heeft ze me verteld. En ook dat ze het vreselijk vond dat ze de schoenen moest dragen van haar oudere broers in plaats van leuke meisjesschoenen. Over haar jongensschoenen op de foto borduurde ik meisjesschoenen zoals haar vriendinnen droegen. De stoffen die ik gebruikte, waren haar zakdoekjes, shawls en handschoenen die ik had meegenomen na haar overlijden.

Dankzij haar en tante Geertje heeft mijn liefde voor textiel zich ontwikkeld tot op de dag van vandaag.

3. Zeeuws Meisje #Broederschap

Het laatste boek in de trilogie van het nieuwe Zeeuws Meisje, het fotoproject van Rem van den Bosch,  gaat over ‘Broederschap’. In het woordenboek staat bij die term onder  andere dat het gaat over de ‘band tussen mensen van een volk’.

Wat verbindt ons met elkaar is de vraag en hoe kunnen we met elkaar omgaan in de tijd waarin we leven? Corona heeft ons in zijn macht maar toch moeten we de moed erin houden en proberen om elkaar niet ziek te maken, fysiek niet en psychisch niet. Contact maken en in gesprek blijven kan een manier zijn om veranderingen in gang te zetten en te houden.

Wat heeft dit alles met mijn liefde voor textiel te maken (want daar gaat dit blog over)? Omdat ik een grote interesse heb in de geschiedenis van streekdracht ging ik deze week op zoek naar het fotoboek van Cas Oorthuys ‘Klederdrachten’ in de serie ‘De schoonheid van ons land’ uit 1962. Ik wou het al lang hebben, kocht een prachtig exemplaar voor een prikkie via boekwinkeltjes.nl en gisteravond werd het bezorgd. Het is een boek vol zwart-wit foto’s, gemaakt in een tijd dat er nog volop streekdracht werd gedragen in bepaalde plaatsen in Nederland. In het boek staan authentieke foto’s van mannen en vrouwen die het toen nog heel gewoon vonden om dagelijks dracht te dragen. Je kunt zien dat ze er trots op zijn. Het is een bijzonder boek over mensen die hun dagelijks werk uitvoerden, vol echtheid, vol vreugde en droefenis. Ook de Zeeuwse dracht staat er in.

Dracht is geen vaststaand gegeven. Dracht is ook onderhevig aan mode, bijvoorbeeld aan stoffen die trendy zijn. Toen trevira en nylon in de mode kwamen en werden gebruikt in burgerkleding kwamen deze stoffen ook voor in bijvoorbeeld de beuk: de borst- en ruglap die vaak te zien is in de Zeeuwse dracht.

Het boek Broederschap laat de traditionele dracht zien in stoffen van nu die bedrukt zijn met foto’s die Rem van den Bosch maakte bij de thema’s van zijn boek. Naast Zeeuwse meisjes staan er in dit boek ook Zeeuwse jongens in mannendracht, gemaakt met dezelfde stoffen die de nieuwe Zeeuwse meisjes dragen.

Naast foto’s staan er in deze aflevering ook weer prachtige interviews over dit thema. In het voorwoord schrijft Marlies Matthijsen: ‘De liefde voor het ambacht spat van de foto’s. En de interviews in dit boek geven hopelijk net een ander perspectief op leven en werken, op hoe we er samen een kleurrijke en zinvolle wereld van kunnen maken. In de hoop naar een nieuwe revolutie: naar broederschap en vertrouwen in plaats van concurrentie en wantrouwen. Naar duurzaam in plaats van wegwerp. Naar circulair in plaats van lineair.’

Van oorsprong was dracht natuurlijk bij uitstek kleding waar je lang mee deed. Mensen die dracht droegen, waren zuinig op hun kleren. Ze gingen er zorgvuldig mee om en ze repareerden hun kleren als die stukgingen. Ze hadden ook geen kasten vol kleding, in tegenstelling tot veel mensen van nu met kleerkasten die uitpuilen. Tegenwoordig wordt kapotte kleding vaak weggegooid want we weten niet meer hoe je iets kunt herstellen. Daar komt bij dat we vaak voor weinig geld nieuwe kleren kunnen aanschaffen.  

Nu lijkt het me niet zo geweldig als we allemaal weer in dracht gaan lopen. Die tijd is geweest en definitief voorbij. We willen en kunnen ook niet meer terug naar een gesloten wereld met strenge regels. We kleden ons nu zoals we geworden zijn: minder uniform dan vroeger, met meer oog voor het individuele. Maar iets van de mentaliteit van de dracht zou wel terug mogen komen: het op waarde schatten van de kleding die je draagt, er zorgvuldig mee omgaan en, als dat kan, kapotte kleding herstellen. Het zou een mooie stap voorwaarts zijn naar een duurzame wereld van broederschap wanneer steeds meer mensen zich zouden kleden vanuit die uitgangspunten.   

De Zeeuwse meisjes (en jongens) uit de boeken van Cas Oorthuys en Rem van den Bosch leren ons dat verbinding maken belangrijk is en dat je dat kunt afzien aan de manier waarop je je kleedt.

De drie boeken van het Zeeuws Meisje project zijn te bestellen via de site van Zeeuws nu: https://zeeuwsmeisje.nu/

Nieuw jaar Nieuw blog

Een nieuw jaar vraagt om een nieuw blog.

Een nieuw blog over mijn grote liefde voor textiel.

Niet in het Engels, maar in het Nederlands.

Met minimaal een keer per week een bericht voor de continuïteit.

Met vast nog wat veranderingen van het uiterlijk van mijn blog,

want het ziet er nogal saai uit op dit moment.

Met een eigen domeinnaam omdat ik het wat professioneler wil gaan aanpakken: https://textielliefde.com/

Over alles wat ik tegenkom in de wondere wereld van textiel.

Dat kan van alles zijn.

Zoals de kast vol linnen lakens die ik afgelopen zomer vond bij de Emmaüs in Zuid Frankrijk en waar ik er natuurlijk een van kocht.

Tentoonstellingen ( ik hoop zo dat we binnenkort weer naar musea kunnen!).

Boeken over textiel.

Eigen werk.

Traditioneel textiel.

Werk van mijn studenten en collega’s bij SintLucas.

Vast nog meer,  want we worden dagelijks omringd door textiel.

We slapen onder textiel.

We hebben textiel voor de ramen hangen.

We drogen ons af met textiel.

We trekken textiel aan en uit.

We maken schoon met textiel.

We kunnen niet zonder textiel in ons dagelijks bestaan.

Mijn eerste echte textielbericht zal gaan over Zeeuws Meisje.

Het meisje dat ik vorige week tegenkwam in Ellewoutsdijk.