Brief aan Sophia

Amsterdam, 22 december 2022

Lieve Sophia,

We hebben elkaar een tijd niet gezien. Soms gaat dat zo, maar ik weet zo onderhand wel dat als we elkaar weer tegenkomen we gewoon verder gaan met waar we gebleven waren.

Portret van Sophia door Thérèse Schwartze, schilderij uit de collectie van het Amsterdam Museum

De grote vriendschap die we hebben, koester ik al jaren. Vandaag moest ik ineens aan je denken. Ik liep langs een etalage van een schoenenwinkel met de prachtigste feestschoenen. In die etalage stond een grote kerstboom met glimmende schoenen in plaats van ballen. Het was zo’n winkel waar jij uren zou kunnen vertoeven om alle schoenen te passen.

Muiltjes, Parijs rond 1875 Foto: Collectie Amsterdam Museum

Weet je nog die keer dat we samen door Parijs dwaalden en je ineens je droomschoenen zag in een etalage? Beeldschone, zijden muiltjes waren het. Op de linkerschoen een mannetje en op de rechter een vrouwtje, allebei geborduurd. Het was bij ‘Maison Chapelle Cordonnier pour dames’ op nummer 85 van de Rue de Richelieu. Een deftige en dure winkel waar de rijken van Parijs hun schoenen kochten. Je slaakte een klein gilletje toen je ze zag staan. ‘Laten we naar binnen gaan,’ zei je, ‘die moet ik echt hebben. Het maakt niet uit wat ze kosten. Ik krijg spijt als ik ze niet koop.’

Muiltjes, Parijs rond 1875 Foto: Collectie Amsterdam Museum

We gingen naar binnen en de verkoopster haalde het paar uit de etalage. De maat was te groot, maar ze konden natuurlijk in een kleiner maat gemaakt worden. Dat duurde wel een paar maanden want zulke verfijnde muiltjes met borduurwerk maken, kost nu eenmaal veel tijd. Tussen de negen en tien weken zou het duren, vertelde de charmante verkoopster. ‘Geen probleem,’ zei je, ‘dan kan ik ze in elk geval dragen op mijn verjaardag in augustus.’

We spraken af dat als ze bezorgd zouden worden je ze samen met mij zou uitpakken. Zo ging het ook. Voorzichtig maakte je de doos open. Daar tussen lagen vloeipapier lagen ze. Voorzichtig wikkelde je het papier eraf. Je slaakte een diepe zucht. Je zette de schoentjes op tafel en wat ik nog weet is dat je er wel een kwartier naar hebt gekeken met een fonkeling in je ogen. Ze pasten perfect. Je liep de kamer op en neer en deed een paar danspassen. Het waren duidelijk feestschoenen die je op veel feesten zou dragen.

Heb ik je ooit verteld dat ik in mijn hoofd een archief van schoenen heb? Ik onthoud mensen vaak aan de schoenen die ze droegen als ik ze voor de eerste keer ontmoet.  Namen vind ik moeilijk om te onthouden, maar schoenen gaat heel goed. Als ik naar etalages vol schoenen kijk, blijven er altijd een paar op mijn netvlies hangen. Die sla ik dan op in mijn hoofd.  Vreemd misschien, maar het is zo.

Toen ik jouw schoenen voor het eerst zag, moest ik direct denken aan een paar schoenen van het Spaanse merk Camper die ik ooit tegenkwam. Die hadden ook een man en vrouw op de neus van de schoen, maar in traditionele Spaanse kleding: zij in een strokenrok en hij als een toreador. Hoe leuk die overeenkomst met jouw schoenen!

Zelf kocht ik een paar jaar later ook schoenen van het merk Camper waarbij de linker- en de rechterschoen anders zijn. Deze komen uit de collectie TWINS ‘Brothers Classics’ lente/zomer 2005. Het ontwerp van de schildering is van Pep Guerrero die op Mallorca woont.

Ik weet nog dat we langs de etalage van de Society Shop in Arnhem liepen en ik ze daar zag staan. Tegen Bram zei ik: ‘Als ze passen koop ik ze, wat ze ook kosten. Ik moest ze hebben!’ Het zijn nog steeds mijn lievelingsschoenen. Jij kent ze want op een feest lang geleden hadden we allebei onze favoriete schoenen aan. Hoe leuk was dat toen!

Dit jaar zullen we elkaar niet ontmoeten bij de kerstbrunch bij onze gezamenlijke vrienden H. en L. We gaan naar Parijs om veel exposities te zien. De tentoonstelling van Schiaparelli moet geweldig zijn en ook Palais Galliera staat op de lijst. Daar is de originele kleding van Frida Kahlo te zien. Ik was net op tijd om tickets te bestellen; alles was bijna uitverkocht op de dagen dat we er zijn.

Tot gauw in het nieuwe jaar,

liefs van Jan

43. Stoplappen in het Amsterdam Museum

Lades vol prachtige stoplappen. De bovenste is gemaakt door Sara Alida Tideman in 1780

Sinds anderhalf jaar ben ik een dag per week vrijwilliger op het textieldepot van het Amsterdam Museum. Dat depot is in Amsterdam noord en ik ga er altijd heen op de fiets en met de pont. Voor mij als textielliefhebber is het een walhalla in het kwadraat.

15 jaar was Elisabeth Susanna Kemgens toen ze deze merklap rond 1880 maakte.

Ladenkasten vol schitterend textiel, van fantastische merklappen tot sexy ondergoed, van waanzinnige waaiers tot sublieme schoenen uit de 18de eeuw. Verrijdbare kasten vol kleding van alle rangen en standen, keurig geordend en feilloos geregistreerd in het digitaal archief.

Ik leer er veel over (oud) textiel en kleding: hoe je kleren moet vervoeren (altijd aan de binnenkant vast houden), hoe je een silhouet aanpast op een paspop (laagjes fiberfill opnaaien net zo lang tot het klopt), hoe je etalagepoppen in elkaar zet en aankleedt (altijd de armen eraf en als de jurk er op zit heel voorzichtig de armen er weer aanzetten). Ik maakte er armen van opgevulde nylonkousen, beschreef kledingstukken voor het digitaal archief en deed nog heel wat meer.

Kledingset gedragen in nachtclub Roxy, Amsterdam Foto: Monique Vermeulen

Natuurlijk moet ook alles gefotografeerd worden. Dat gebeurt door Monique Vermeulen in de professionele studio in het depot. Ze maakt haarscherpe foto’s en ik help haar vaak een handje in die heerlijke wereld van licht en lenzen.

Rond 1800 maakte Alida Reekers deze stoplap

Voor de komende tentoonstelling ‘Continue the Thread’ (17 februari t/m 3 september 2023), over handwerktechnieken in het Amsterdam Museum moest een serie stoplappen gefotografeerd worden. Stoplappen zijn oefenlappen van linnen, katoen of wol waarop meisjes handwerktechnieken leerden.

12 jaar was het onbekende meisje toen ze deze schitterende stoplap maakte in 1753

Van de 17de eeuw tot het begin van de 20ste eeuw kregen meisjes les in het herstellen van beschadigd textiel. Na hun lagere school werden ze vaak linnennaaister bij een rijke familie. Er werd van hen verwacht dat ze textiel met scheuren, gaten en slijtageplekken goed konden repareren, zo onzichtbaar mogelijk het liefst. Textiel was duur en je moest er zuinig mee omgaan. Dat je daarvoor inzicht in weefsels, in de ketting en inslag, moest krijgen was een onderdeel van het leerproces.

Schitterende ruitstop uit stoplap hierboven.

Stel het je voor: je krijgt een linnen lap waar de handwerklerares een groot gat in heeft geknipt en jouw opdracht is om dat gat zo mooi mogelijk te dichten. Eerst span je er draden overheen die de ketting moeten voorstellen. Daarna weef je er, in een patroon keurig de inslagdraden doorheen. Bedenk dat wij goede lampen hebben en dat er in die tijd geen elektrisch licht was.

Voor meisjes met twee linker handen moet zo’n opdracht een straf zijn geweest. Frustrerend als het niet lukte en je een onvoldoende kreeg van die strenge handwerkjuffrouw.

1870, maakster onbekend

Voor meisjes die het leuk vonden, was het vast een feest om met allerlei kleuren garen een mooie stop te maken en zo een lap te vullen.

Detail uit stoplap hierboven

In de collectie van het Amsterdam Museum zijn geweldig mooie stoplappen te vinden. In principe komen alle voorwerpen in de collectie van het museum uit Amsterdam.

Linnen ondergrond, met zijde gestopt

De oudste is uit 1699, gemaakt door Aaltie of Aaltje Dircks Kruis. Met dun zijden garen heeft ze van een linnen lap een waar stopkunstwerk gemaakt. Veertien jaar was ze toen ze met haar dunne meisjesvingers hieraan geconcentreerd heeft gewerkt. Waar ze het stoppen heeft geleerd, is niet bekend, misschien in het Burgerweeshuis in Amsterdam.

1887, vervaardigd door L. Hofland

In de collectie zijn grote stoplappen opgenomen, maar ook werk van kleiner formaat.

1792, maakster onbekend

Meestal zijn ze vierkant, sommige in de vorm van een rechthoek. De indelingen zijn altijd anders. De hoeveelheid stoppen heeft te maken met de grootte van de lap. Gekleurd garen, meestal zijde en soms katoen, werd gebruikt om de weefpatronen zichtbaar te maken.

In 1898 gemaakt, vermoedelijk op de Amsterdamse Industrieschool

Op veel stoplappen staan de naam of de initialen van de maakster en het jaar waarin de lap is gemaakt. De initialen zijn goed te lezen, maar het is vaak niet meer te achterhalen wie achter die initialen zit.

1905, Helena Hoogeveen maakte deze stoplap op de naaischool van het Burgerweeshuis

Heel soms staat op de lap informatie over de plek waar de stopster woonde.

1920-1940 Diaconie Weeshuis der Nederduits-Hervormde Gemeente, maakster onbekend

De stoppen zelf zijn variaties op de eenvoudige linnenbinding en op de moeilijker keper- en satijnbinding.

Datering 1709, maakster onbekend

De moeilijkste stop was het gat dat aan de zijkant of in een hoek werd geknipt. Zie dat dan maar weer eens goed te krijgen: je hebt aan een kant geen stof waar een kettingdraad aan vastgezet kan worden.

Je moet engelengeduld en inzicht voor hebben om dat goed voor elkaar te krijgen.

Er is ook een meisje geweest dat haar lap niet heeft afgemaakt. Ergens in de 19de eeuw heeft ze zestien vakjes waarin een stop moest komen met zwart garen afgezet. Daarvan heeft ze er zeven afgemaakt, aan de achtste is ze net begonnen: de kettingdraden zijn gespannen en een deel is al gedaan.

Waarom zou ze het niet afgemaakt hebben? Vond ze het heel moeilijk of had ze er geen zin meer in? Haar stoppen zien er niet perfect uit zoals op andere stoplappen, maar ik zou het waarschijnlijk nog slechter hebben gedaan.

36. Geweven werelden in Aubusson

Lang geleden, ik was begin twintig, volgde ik een weefcursus bij de Volksuniversiteit in Zutphen. Mevrouw Visser was de docent en van haar leerde ik de basisbeginselen over ketting en inslag, haspelen, kruislatten, inrijgen, en nog heel wat meer. Ik weefde met allerlei garens op een weefgetouw met vier schachten. Een zachte, wollen omslagdoek voor mijn moeder, katoen en linnen placemats in lila en blauwe ruiten, tafellopers in verschillende structuren en als klap op de vuurpijl een lap voor een jasje geweven van zelfgesponnen, witte wol. Mijn moeder moest dat jasje overigens in elkaar zetten, want een kledingstuk maken kon ik toen nog niet. Waar al die weefsels zijn gebleven, weet ik niet. Ik heb er niets meer van. Wel weet ik dat ik toen achter het weefgetouw erg  genoot.

Af en toe kijk ik op Marktplaats naar weefgetouwen en soms droom ik stiekem over zachte shawls weven in allerlei kleuren en structuren. Dagen daarmee bezig zijn en helemaal opgaan in het ritme van het kruisen van de draden met een mooie shawl als resultaat! Mijn vriendin Tiny Beunk weeft veel en haar prachtige weefsels verkoopt ze via haar Etsy shop.

Elke zomer als we in centraal Frankrijk zijn, gaan we een dag naar Aubusson in het departement Creuse.

Aubusson is eeuwenlang de stad van de weverijen geweest. Er zijn er nu nog een paar in werking; in het verleden was er een weverij op elke hoek.

Met versleten letters staan er nog fabrieksnamen op een paar gebouwen. De Manufacture Braquenié sloot in 1992 zijn deuren.

Op de muur van Manufacture Royale Saint-Jean, een nog werkende weverij en tevens museum, staat: In Aubusson laat wol de muren zingen.

Daarbinnen is er een wereld van wol in uiteenlopende kleuren, op strengen en klossen, op weg om ooit eens in een wandtapijt terecht te komen.

Wandtapijten vulden in het verleden wanden van kastelen en paleizen. Om indruk te maken en ook om de kou buiten en de warmte binnen te houden. Alleen rijke families konden het zich permitteren om zo’n wandtapijt te kopen. De wevers verdienden bijna niets. Ze werden uitgebuit, maakten lange dagen in de weverij, kregen het aan hun rug en andere mankementen. Tegenwoordig zijn de werkomstandigheden veel beter; de tapijten worden gemaakt voor musea en kunstliefhebbers. Soms wordt de computer gebruikt, maar in Aubusson gaat het voornamelijk handmatig. 

Gevel La Cité Internationale de la Tapisserie Aubusson

Om inzicht te krijgen in wat er komt kijken bij het weven van een wandtapijt ga je naar het kleurrijke, moderne gebouw van de Cité Internationale de la Tapisserie. Daar vind je alle informatie over weven. Van het spinnen en verven van de garens als start van het proces tot aan het resultaat.

 Vroeger gebruikten ze in Aubusson alleen wol van schapen uit de regio. Die wordt nog steeds gesponnen in de spinnerij van Fonty. Naast het gebruik van de natuurlijke tinten wordt het garen ook geverfd. Dat gebeurde eertijds met plantaardige verfstoffen als indigo en meekrap, nu met synthetische verf. Er worden tegenwoordig ook andere garens gebruikt zoals linnen en zijde.

In het museum zie je wat er bij het uitvoeren van het proces nodig is: het ontwerp, de schets, de kleur en keuze van de garens, de proefstalen en het uiteindelijke resultaat.

Daarnaast is het museum ook een centrum van onderzoek en restauratie, er worden ook nieuwe tapijten geweven.

Bijvoorbeeld het grote wandkleed ‘Le voyage de Chihiro’ naar aanleiding van een Japanse animatiefilm van de beroemde regisseur Hayao Miyazaki.

Een clip van de film Le voyage de Chihiro

In een ander deel van het museum kom je modern weefwerk tegen. Is dat een stuk blauw plastic dat daar hangt? Nee, natuurlijk niet. Het ontwerp van Marie Sirgue is geweven in Atelier A2 en heeft de titel Bleue (2016).

Zestien kleuren blauw zitten erin en de nestels zijn geborduurd met zilvergaren.

‘La Corde’ (2003) heet het werk van Mathieu Mercier. Even denk je dat er een sisaltouw tegen een zwarte wand hangt.

Van Jacques Lagrange hangt er het vrolijke, bijna bewegende wandkleed met de titel ‘Combat anachronique (1980).

‘After laughter comes tears’ (2021) van Romain Bernini laat een figuur zien omringd door kleurige vlekken.

Van dichtbij zie je hoe ongelofelijk veel kleuren er gebruikt zijn.

Dan, na al die prachtige moderne weefsels, loop je een grote ruimte in waar je de geschiedenis van wandtapijten te zien krijgt. Van de 15de tot de 20ste eeuw.

De ‘Millefleurs á la licorne’ uit 1480-1510 ontvangt je als eerste. Met verschillende bloemen op de achtergrond draagt de eenhoorn een rood wapenschild op zijn linker- en een helm op zijn rechterpoot.

Elk jaar raakt dit weefsel me en maak ik foto’s van de bloemen. Het origineel moet veel groter zijn geweest, gezien het feit dat de weefsels abrupt stoppen aan de zijkant.

Detail Pastor Fido (1860, Atelier de la Marche

Aan voeten zeventiende-eeuwse schoenen.

Op een tapijt uit de tweede helft van de 18de eeuw zie je medaillons vol romantische scenes, omlijst door spetterende bloemguirlandes.

Het absolute hoogtepunt voor mij is het reusachtig grote tapijt uit de 19de eeuw van een exotisch aangeklede olifant met daarop liggend een dame met een waaier.

Omgeven door een wereld vol vogels en bloemen neemt de olifant mij altijd mee naar een ongekende toverwereld.

Sonia Delaunay

Bij de Navel van van Jean Arp uit 1961 schreef Jos van Hest het volgende gedicht.

nombril

rondje van het begin
oog dat niet kan kijken
dichtgeknoopte toegang
slot voor altijd op slot
middelpunt van het lijf
eeuwige moederbinding
broche op de buik
medaille voor het leven

Het kleinood van 12,8 cm x 12,8 cm moest acht keer worden geweven voordat het een goede navel werd.

Victor Vasarely
Georges Braque
Le Corbusier

De afdeling van de 20ste eeuw laat weefsels zien ontworpen door bekende kunstenaars zoals Sonia Delaunay, Jean Arp, Le Corbusier, Victor Vasarely en Georges Braque, die zijn uitgevoerd in een weverij in Aubusson.

Natuurlijk hangt er ook werk van mijn favoriet Jean Lurçat. Zijn geweven werelden zijn rijk aan bloemen, vogels, sterren en manen en maken je altijd vrolijk.

Ooit, toen ik zijn kasteel en atelier had gezien in Saint-Cere, schreef ik er een artikel over in het Engels op een ander blog. Misschien moet ik het er in TextielLiefde nog eens uitgebreider over hebben.

Graag fotografeer ik in het museum in Aubusson details van tapijten.

Dat kunnen hoeden zijn of bloemen; afgelopen zomer waren het hoofden van mens en dier.

Detail 18de eeuws wandtapijt
Detail wandtapijt Jean Lurçat
Detail La Famille dans la Joyeuse Verdure (2013) ontworpen door Léo Chiachio
Le rencontre du cannibale et des carnassiers (1983), Daniel Riberzani

Het blijft heerlijk om met een specifieke blik rond te lopen en te kijken.

Elke zomer is er in het theater Jean Lurçat een speciale tentoonstelling georganiseerd door de Cite. Een aantal jaren geleden zag ik daar het indringende werk Ghost_Horseman_of_the_Apocalypse_in_Cairo_Egypt.jpg ontworpen door Clément Cogitore in 2019. Het laat een geweven filmshot zien van het protest in 2011 op het Tahirplein in Cairo. Op deze video zijn de originele beelden te zien.

Dit jaar, met het thema natuur zag ik zwarte kraaien vliegen over het tapijt van Pascal Haudressy  (1968-2021).

Ondertussen heb ik honderden foto’s van al die prachtige weefsels en de komende jaren zullen er nog wel een paar bij komen.

Project Tolkien (2008)

Nou vooruit dan, nog een paar om van te genieten.

Pierre Dubreuil, Les quatre saisons ou les âges de la vie (1941)
Dom Robert, Detail Les enfants de lumière (1941)
Antoine Marius Martin, Le Bouc (1941)
Detail Le Bouc
Elie Maingonat, detail L’automne (1947)
Diane de Bournazel, detail Bordure des Bois (2013)
Detail wandtapijt Picasso
Detail wandtapijt Dom Robert
Robert Delaunay

22. Werken in het textieldepot

Ondertussen ben ik weer twee weken terug in Amsterdam na een heerlijke vakantie in Frankrijk.Veel meegemaakt en veel gezien, ook op textielgebied. Daar ga ik de komende weken over schrijven. Er is nu weinig tijd voor omdat ik de afgelopen tijd veel dagen gewerkt heb in het textieldepot van het Amsterdam Museum. Over twee weken gaat de tentoonstelling ‘Maison Amsterdam’ in de Nieuwe Kerk open en daarvoor moest en moet veel gebeuren.

Garen in allerlei kleuren

Dat er bij het maken van een modetentoonstelling heel wat werk komt kijken, was me bekend, maar dat het zo’n enorme klus is, heeft me toch verbaasd.

Nu nog een ‘sleeping beauty’

Kleding moet op poppen of torso’s worden gezet. Nu past een jurk uit de 18de eeuw niet direct op een torso uit de 21ste. Vrouwen droegen toen een korset en zo’n keurslijf gaf een heel ander silhouet. Taille en boezem kregen er een specifiek accent door. Omdat vrouwen uit die tijd dus een ander figuur hadden dan vrouwen van nu zijn er aanpassingen nodig op de pop of de torso. Zo moet de torso op sommige plaatsen worden opgevuld en op andere plaatsen moet juist wat worden afgesneden. Bovendien lieten rijke dames hun kleding op maat maken; ze waren vaak kleiner, hun middel was dunner, hun hals soms smaller. Aan een jurk kun je soms ook zien dat de draagster een wat meer dan gemiddelde derrière had. (Kleding die in musea wordt bewaard, komt vooral uit de garderobekasten van de rijken. Zij konden het zich veroorloven om dure en duurzame stof te kopen.)

Detail Robe à la française, zijde 18de eeuw

Het opvullen gebeurt met laagjes fiberfill die op een katoenen hoes van de torso worden genaaid. Als alles klopt, gaat er een zijden hoes overheen die met overhandse steken op de torso wordt genaaid.

Steek voor steek

Ik leerde wat een ‘monoboezem’ is (de borsten vormen één rond geheel) en paste dat toe bij een jurk uit de 19de eeuw.

Gemouleerde onderrok

Vaak is er ook nog een onderrok nodig of meerdere om het juiste silhouet te krijgen en moeten er armen aan de torso worden genaaid om de mouwen mooi uit te laten komen.

Armpjes van opgevulde nylonkousen

Dan pas gaat de jurk eroverheen en ben je anderhalve dag verder.

Detail tweedelige japon circa 1910 gemaakt door de Firma Volk, Amsterdam

De tentoonstelling in de Nieuwe Kerk duurt zes maanden. Ook daarmee moet rekening worden gehouden bij de opstelling. Sommige kledingstukken zijn bijvoorbeeld zo zwaar dat ze niet zo’n lange tijd op een model mogen worden getoond, maar moeten worden gewisseld.

100% scheerwol jersey voor een jurk uit de zestiger jaren

Ik geniet erg van mijn werk, leer veel en heb ’s avonds heel wat te vertellen en te laten zien. Het gebeurt niet elke dag dat ik een hals van een blauwe jurk van Pierre Cardin vastnaai en dat ik erachter kom dat de cirkel erop een buigzaam slangetje is.

Kleurig bewaarde restanten in een rok

Toen ik een Nationale Feestrok uit 1946 op een torso zette, kreeg ik het gevoel dat ik een zeer persoonlijke oorlogsgeschiedenis van een vrouw in mijn handen had.

Jurk uit de goedkopere lijn van Frank Govers voor Modehuis Beatrijs

Dat Frank Govers ook andere kleding heeft gemaakt dan de opzichtige glitterjurken waarmee hij bekend is geworden, blijkt uit de bloemenjurk van eenvoudig katoen.

Nog steeds een goed label

De stof van het groene, wollen pak van Dick Holthaus is zwaar en zal voor de draagster heel warm zijn geweest.

Bij de outfit van Mac & Maggie zaten twee glimmende ceintuurtjes. Even waande ik me in Studio 54 in New York en zag ik haar dansen op discomuziek.

Verkocht bij Metz waar ook Liberty London verkocht werd

Ik stelde me voor dat de strohoed uit de jaren twintig werd gedragen door een lady op een tea party in de tuin van een grachtenpand in Amsterdam waar een paar eeuwen daarvoor een man liep in een bruin zijden pak.

18de eeuwse Frak (jas)

Kleding vertelt verhalen.

De firma C.A. Volk produceerde ook jurken

Door er zo dichtbij te komen, een robe voorzichtig vast te houden, de binnenkant van een mantel te bekijken, te zien hoe plooien en zomen lopen, labels te lezen, sporen te zien van verstelwerk, de achterkant van borduurwerk te inspecteren, groeit mijn kennis over kleding en historie enorm.

Detail lijfje driedelige japon gemaakt door Hirsch & Cie

Die informatie gebruik ik zeker bij de rondleidingen die ik het komend half jaar ga geven.

Volgende week wordt alles vervoerd naar de Nieuwe Kerk en gaat het inrichten beginnen. Nu staan er grijze blokken in het depot met daaronder spectaculaire jurken en pakken. Nog even wachten en dan zijn ze in volle glorie te zien.

Welkom!