Op dit moment geef ik rondleidingen bij de tentoonstelling ‘Van Rembrandt tot Vermeer’ in het H’ART Museum in Amsterdam. Er hangen vijfenzeventig 17de eeuwse meesterwerken uit The Leiden Collection, waaronder 18 Rembrandts. Ze zijn tot 24 augustus te zien in het prachtige museum aan de Amstel. Het is een fantastische expositie waarbij ik niet alleen als gepassioneerde kunstkijker maar ook als hartstochtelijke mode- en textielliefhebber aan mijn trekken kom.

De 17de eeuw is voor de elite in Nederland qua kleding soberder dan een eeuw later. Dat lijkt misschien saai, maar op veel schilderijen zijn bijzondere dingen te ontdekken. Je ziet dat in die periode naast effen, wollen stoffen ook al zwarte, zijde met damastmotieven werd gedragen.

Huwelijksportret Isaac Abrahamsz Massa (1586-1643) en Beatrix van der Laen (1592-1639)
De rijke elite droeg toen zwarte kleding. Niet alleen om te pronken met hun rijkdom, maar vooral om te laten zien dat ze als calvinist er een sobere levensstijl op na hielden: zwart valt niet op, zeker niet als de mensen waar je mee omgaat ook zwart dragen.

Zwarte stoffen waren duur omdat het een buitengewoon ingewikkeld proces was om een intens zwarte kleur te krijgen. Eerst was daar indigo voor nodig om de stof een diepblauwe kleur te geven.

Als dat eenmaal was gelukt, ging de stof in een bad met de rode kleurstof alizarine, die werd gewonnen uit de wortel van meekrap, een plant. Pas dan werd de lap stof diepzwart. Al met al een intensieve en kostbare procedure, heel wat anders dan de snelle, chemische verfstoffen die tegenwoordig worden gebruikt om textiel te verven.
Denk overigens niet dat je als rijke vrouw een kast vol kleren had. Als je vijf jurken had, was dat heel veel. Gefortuneerde dames hadden daarnaast natuurlijk ook (onder)rokken, jakken, hemden en een mantel nodig. Kleding was kostbaar; stoffen waren soms moeilijk te krijgen. Er was zelfs stofschaarste in de 17de eeuw. Als je iets bijzonder als een zijden stof wilde, moest dat uit het buitenland komen en daar konden maanden overheen gaan. En als het er dan eindelijk was, moest de kleermaker het kledingstuk met de hand in elkaar zetten. Er waren geen knippatronen of naaimachines!

En dan die witte kragen! Oorspronkelijk was dat een Spaanse mode. Ondanks dat er oorlog was tussen de Nederlanden en Spanje, waren die witte kragen zeer in trek. Ze werden meestal gemaakt van wit linnenbatist en soms afgewerkt met kant. Om een enkele kraag te maken, was soms vijftien meter linnenbatist nodig. Lange repen stof werden geplooid en tussen de nekband met kleine steken vastgezet.

Het Rijksmuseum heeft een plooikraag uit de 17de eeuw waarvoor één lange strook van 19,5 meter met extreem fijne plooitjes en steken is vastgezet aan een boord van 38 centimeter.

Dat moet een priegelig werk geweest zijn; de werkplaatsen waar dat gebeurde, waren ook nog eens slecht verlicht.

Onlangs kreeg ik van vriendin Tine de vier delen ‘Patterns of Fashion’ van Janet Arnold. In drie boeken staan honderden foto’s van kledingstukken uit de periode van 1560 tot 1940. Ook patronen van bijzondere historische kledingstukken zijn opgenomen. Ze zijn fantastisch en geven goed inzicht in de vaak ingewikkelde constructie van historische kledingstukken.


In deel 4 komen ook kragen aan bod. Er is zelfs een patroon getekend van de kraag uit het Rijksmuseum om na te maken. Dat zie ik mezelf niet doen. Hoe simpel het misschien lijkt om lange stroken stof te plooien en tussen een band vast te zetten, dit soort gefriemel is niks voor mij.

In de tentoonstelling in het H’ART Museum zijn schitterende, geschilderde kragen te zien. Kleine kragen voor heren, zoals de kleine, platte kraag van de protestantse man uit Deventer op een schilderij uit circa 1660 van Gerard ter Borch de Jonge.

Een wat grotere kraag op het portret van een man in rode jas geverfd met meekrap door Rembrandt van Rijn uit 1633.

Een waanzinnig grote kanten kraag die de politicus Antonie Coopal draagt op een schilderij uit de werkplaats van Rembrandt. Echte macho’s in die tijd droegen kant!

Ook vrouwen droegen losse witte kragen op hun zwarte kleding. Groot en nog groter was de mode van deze molensteen kragen.

Helemaal chique werd het als er ook nog een rand kant aan zat zoals bij de kraag van Petronella Buys. Dat moet een fortuin gekost hebben, een flinke duit voor de handelaren in kant. De meisjes en vrouwen die kantklosten, werden overigens zwaar onderbetaald. Ook toen was er al onderdrukking in de textielwereld! In dit artikel van mij kun je over die zwarte kant van kant lezen. Ach, misschien wist Petronella Buys van niks. Of als ze het wel heeft geweten, zal ze misschien haar schouders hebben opgehaald en gedacht dat de wereld nu eenmaal zo in elkaar zit.

Overigens is het bekend dat Petronella en haar echtgenoot Philip Lucasz betrokken waren bij de VOC. Van het geld dat ze daarmee verdienden, is die kraag waarschijnlijk betaald.

Onder die kraag droeg je ook nog een metalen kraag, de zogenaamde portefraes, om alles goed op zijn plek te houden. Het moest er natuurlijk perfect uitzien.
Bij die kragen vraag ik me altijd af hoe dat ging als je soep at? Legde je er dan een soort servet op? Of mocht je morsen? Hoe werd zo’n kraag gewassen als er toch vlekken op waren gekomen? Werd de kraag dan helemaal uit elkaar gehaald en zette de kragenmaker hem dan weer steek voor steek in elkaar?

Overigens kun je in het H’ART Museum boven in een ruimte kragen passen en selfies maken. Die kragen zijn natuurlijk minder mooi en bijzonder dan de echte uit de 17de eeuw, maar verschil moet er wezen!

Jaren geleden, toen ik nog les gaf in modeontwerpen aan het mbo in Enschede, bedacht ik een kragenproject voor mijn leerlingen Modemaatkleding. Voor inspiratie gingen we naar het Rijksmuseum om vooral naar kragen te kijken.


Nadat de kragen met enthousiasme waren gemaakt, lieten we ze fotograferen in de stijl van Rembrandt door leerlingen van de fotografieafdeling. Het is een project waar ik nu ook nog vaak aan moet denken.


Naast al die schilderijen van rijk geklede dames en heren in het H’ART Museum zijn daar ook prachtige, zogenaamde karakterstudies te zien van ‘gewone mensen’ die Rembrandt schilderde als voorbereiding voor grotere composities.

Het schilderij ‘Studie van een vrouw met witte muts’ uit circa 1640 is daar een voorbeeld van. Haar witte kraag (of is het een halsdoek?) en het witte kapje laten zien dat ze dienstbode was. Ze ziet er minder spectaculair uit, maar ik vind haar net zo mooi als de gemolensteende dames van stand!








Plaats een reactie