Afgelopen vrijdag ging ik naar Tilburg om de eerste beginselen van Lunéville borduren te leren tijdens een privéles van twee uur. Het is een oude borduurtechniek, die ook wel tamboereren genoemd wordt. Met een kleine haaknaald maak je kettingsteken op stof. De techniek is rond 1750 via de zijderoute vanuit India naar Europa gekomen.

De werkplaats/winkel van het bedrijf Moniquenwerk is een schatkamer vol kleurrijke garens, glanzende pailletten, glimmende kralen en met als stralend middelpunt Monique van Munster.



Overal hangt en staat haar werk waar de creativiteit van afspat.
Voor mij op tafel lag een klein, met zijden organza opgespannen raampje en de lunévillenaald. Zijden organza heeft stevigheid en is een ideale stof om de techniek te leren. Op de witte transparante stof tekende Monique een figuur en ze beloofde me aan het begin dat ik de basis echt zou leren in twee uur.

Nadat ze het een paar keer had voorgedaan, moest ik aan de bak. Haken op stof, met dat kleine puntige haaknaaldje, het lijkt simpel maar schijn bedriegt. Je moet spanning op het garen houden met je linkerhand, de naald door de stof steken en dan een beweging maken waarmee je de draad aan de onderkant oppakt, naar boven trekt en zo de kettingsteek maakt.

Met geduld, rustig blijven, af en toe de schouders losmaken en bemoedigende woorden van Monique kreeg ik de beweging te pakken en lukte het me zowaar om steken te zetten. Het gezegde oefening baart kunst was ook hier van toepassing. Dat oefenen gaat de komende weken verder.

Ik kocht daarvoor nog wat kleurig glanzend garen met de naam ‘Fil a Gant’ dat ook gebruikt wordt in de grote borduurateliers voor haute couture in Parijs.

Het vervolg wordt natuurlijk een les in borduren met pailletten en kralen, ook wel broderie d’art genoemd. Dan zet je aan de onderkant van het werk een paillet of kraal vast met behulp van de lunévillenaald.

Als je goed om je heen kijkt, zie je dat op dit moment veel kunstenaars en modeontwerpers met borduren bezig zijn. Het lijkt wel een revival. Zo zag ik in het Textielmuseum een outfit van de Belgische kunstenaar en modeontwerper Tom van der Borght, waanzinnig geestig, in felle kleuren grof geborduurd.


Tijdens de tentoonstelling afgelopen weekend van het IJ Kunst Collectief in de Bagageloods in Amsterdam werd ik getroffen door het werk van Renee Toonen die onder de naam ikborduurenjij te vinden is op Instagram. Haar kruissteken op vijgenbladeren en op lood laten een heel andere kant van borduren zien.

In het Rijksmuseum kwam ik ook schitterend borduurwerk op mannenkleding tegen. Daar is tot en met 15 maart 2026 de tentoonstelling ‘Suit Yourself, 100 years of menswear, 1750-1850’ te zien.
Herenkleding uit de 18de en 19de eeuw zag er zeer luxueus uit. De macho’s van die tijd droegen zijde en kant om indruk te maken. Dit soort kleding werd uiteraard alleen gedragen door de rijken.

Alleen dan kon je het je permitteren om een jas of vest te laten maken van het mooiste materiaal dat er te koop was. De zijden stoffen kwamen uit Frankrijk; het borduurwerk werd uitgevoerd door gespecialiseerde borduurders (het waren mannen die borduurden!) die elke steek met de hand zetten.
De Amsterdamse borduurders waren lid van het gilde van Sint Lucas.

Ik zie een werkplaats voor me: mannen, omringd door stoffen en glanzende garens, borduren steek voor steek bloemen in zachte tinten. Ik denk niet dat er veel gepraat werd tijdens het werken aan een jas waarbij het borduursel op het linker- en rechterpand gespiegeld exact gelijk moest zijn.


Concentratie zal wel het credo zijn geweest. In het atelier was geen elektrisch licht; de werktijden en ander werkomstandigheden waren totaal anders dan nu. Hoe imponerend moet het geweest zijn voor een jonge jongen die in de leer ging bij een gildemeester.

Al dat perfecte borduurwerk om je heen en dan beginnen met het leren van een vak waarbij uiterste precisie vereist is. Bij geschiktheid en vooruitgang werd een leerling na enige tijd benoemd tot gezel en werkte hij in loondienst voor de meester. De gezel kon na een periode tussen de vijf en negen jaar de meesterproef afleggen. Daarmee liet hij zien dat hij het vak beheerste. Als meester kon hij dan zijn eigen bedrijf beginnen.

Ik vraag me bij dit soort informatie altijd af of ik als ik in die tijd had geleefd borduurder was geworden. Zou ik genoeg geduld hebben? Zou ik de concentratie hebben opgebracht om dit verfijnde borduurwerk te maken? Had ik af en toe de pest in gehad dat ik voor een rijke kerel een jasje moest maken dat ik nooit van zijn leven zelf zou kunnen dragen? Zou ik het misschien even aan hebben getrokken voor de klant het kwam ophalen? Om te voelen hoe het is om zo’n jasje aan te hebben? Of zou ik ergens een heel klein steekje bewust niet goed hebben geborduurd om iets van mijn verzet te laten zien?








Geef een reactie op Carla Reactie annuleren