10. Textieltijdschriften en de quilts van Bisa Butler

Sinds begin 2003 heb ik een abonnement op het Engels textieltijdschrift Selvedge, dat toen voor het eerst uitkwam. Het is opgericht door Polly Leonard. Na haar design opleiding aan de Glasgow School of Art haalde ze een master aan de Tyler School of Art in Philadelphia en gaf ze tien jaar les in ‘textiles’. Het tijdschrift is prachtig uitgevoerd met schitterende foto’s en goed geschreven artikelen. Allerlei aspecten van textiel worden glorieus gepresenteerd. Selvedge is inspirerend en elk jaar verleng ik mijn abonnement.

Selvedge 99, The fabric of your life, HOME

Tegelijkertijd had ik in die jaren een abonnement op het Nederlands tijdschrift Handwerken zonder Grenzen (HzG). Dat begon met een vondst. Tegenover het huis waar ik toen woonde, stond een grote doos op straat met veel jaargangen HzG. Ik droeg de doos naar binnen, leerde het tijdschrift kennen en nam een abonnement. Het blad stond onder redactie van Henriette Beukers; ze gaf het vanaf 1978 samen met haar man Henk Beukers 25 jaar lang uit. Aanleiding was hun eigen collectie met textiel uit de hele wereld, gekocht tijdens hun reizen, die ze wilden delen met liefhebbers. Veel kennis en kunde was er te vinden in die jaren. Beukers & Beukers wàren textiel; door hun grote verzameling en hun kunde hebben ze mijn textielliefde gestimuleerd.

Omdat ik vier jaar geleden naar Amsterdam verhuisde, besloot ik mijn stapel weg te doen, ook  omdat er twee boeken met de titel ‘Rondom Textiel’ waren verschenen onder redactie van Henriette Beukers. Daar stonden veel artikelen in die eerder in HzG waren gepubliceerd. Mijn eigen verzameling nummers HzG kwam in een goed huis terecht.

De beste artikelen uit Handwerken zonder Grenzen in twee boeken.

Na het overlijden van mijn dierbare vriendin Tonny Hollanders in november 2020 trof ik in haar huis dozen vol nummers HzG. Ik kon de verleiding niet weerstaan en nam ze  mee. Nu staat er tegen de wand in mijn werkkamer ineens weer een stapel HzG uit verschillende jaren.

Verschillende jaargangen van HzG

Af en toe kijk ik erin en verbaas me hoe goed de oude nummers in deze tijd passen. In nummer 3 uit 1978 bijvoorbeeld vind je goede en gedegen artikelen over ‘Met planten blauw verven’ en ‘Prehistorisch textiel in Noord-Europa’. Lees je over volkskunstmotieven, dan zijn er gedetailleerde tekeningen bijgevoegd zodat je ze kunt naborduren.

Blauw verven met indigo

Allemaal onderwerpen die ook nu regelmatig langskomen via social media, websites en andere kanalen. Handwerken is in, maar dan wel modern en niet tuttig.

In mei 2003 werd Margreet Beemsterboer hoofdredacteur van HzG. Het tijdschrift kreeg een iets groter formaat en een verfriste uitstraling. Henriette en Henk Beukers zaten nog in de redactie en leverden mooie artikelen aan.

Handwerken zonder Grenzen door de jaren heen

Door een conflict in 2011 nam Margreet Beemsterboer en haar team ontslag. Het werd een tijd dat de ene hoofdredacteur de andere opvolgde. Het blad veranderde steeds meer van uiterlijk en het begon me tegen te staan. Niet alle artikelen waren goed uitgewerkt en de in mijn ogen truttige patronen haalden het blad naar beneden. Nu mag dat allemaal voor mij en velen zullen het prachtig hebben gevonden, maar ik zei mijn abonnement op. De textielpassie die Henriette en Henk Beukers deelden met hun lezers vond ik niet meer terug. Misschien heeft dat te maken met de tijd waarin we leven en de oppervlakkigheid bij een onderwerp als textiel.  Er is zeker aandacht voor het ambacht, maar alles moet vooral ‘leuk’ zijn.

Bij mijn HzG-erfenis zaten ook recente nummers uit 2020. In Selvedge 98 en in HzG 221 staan artikelen over de quilts van de Amerikaanse Bisa Butler. Wat opvalt is het verschil in toon tussen beide stukken. Het artikel in HzG is oppervlakkiger, minder diepgaand dan dat in Selvedge. Bij de quilts van Bisa Butler draait het om politiek geëngageerd werk dat voortkomt uit de geschiedenis van zwarte Amerikanen. Slavernij maakt daar een heel belangrijk deel van uit. In haar werk schuilt een stem die gehoord moet worden en die om reactie en actie vraagt.

Om dan in HzG over haar quilts te schrijven ‘Vele van onze verhalen zijn opzettelijk weggelaten uit Amerikaanse geschiedenisboeken’ en ‘Geschiedenis is het verhaal van mannen en vrouwen, maar het verhaal wordt bepaald door degenen die de pen vasthouden’ is mager.

Bisa Butler ‘The Storm, the Whirlwind, and the Earthquake
©claireolivergallery ©bisabutler

Ook de beide beschrijvingen van de quilt met de titel ‘The Storm, The Whirlwind, and the Earthquake’ verschillen in diepgang. Die specifieke quilt gaat over de speech die Frederick Douglass (1818-1895) op 4 juli 1852 gaf. Hij zei het hypocriet te vinden om Onafhankelijkheidsdag te vieren terwijl er nog slavernij bestaat.

In bovenstaande video spreken vijf jonge nakomelingen van Frederick Douglass een deel van die speech uit. In het artikel in Selvedge komt de verbinding die je als kijker met de quilt krijgt, aan de orde. Je wordt geconfronteerd met Frederick Douglass, met zijn ogen, postuur en houding. Daardoor ervaar je een directe link naar de geschiedenis van de slavernij. In de onderstaande video vertelt Lisa Butler over het ontstaan van de quilt van Frederick Douglass.

Hoe goed zou het zijn als het Textielmuseum of het Tropenmuseum een tentoonstelling maakt waarin slavernij en textiel gecombineerd wordt. De quilts van Bisa Bulter zouden daar perfect inpassen.

Als je dan het voorwoord van Jessica Scheffer in HzG leest dat over inclusiviteit gaat en waarin het werk van Bisa Butler wordt genoemd en je vervolgens op de website bij de inhoud van dat nummer niets leest over Bisa Butler geeft dat te denken. Op de site van Selvedge daarentegen staat korte maar goede informatie.

Ik krijg het gevoel dat het artikel in HzG is overgenomen uit Selvedge en is versimpeld. Misschien heb ik het mis.

Links:

Selvedge: https://www.selvedge.org/

Handwerken zonder Grenzen: https://www.handwerkenzondergrenzen.nl/

Rondom Textiel: https://www.rondomtextiel.nl/boek1.html

Bisa Butler via Claire Oliver Gallery: https://www.claireoliver.com/artists/bisa-butler/

9. Zelf maken & Reacties

Ik begon dit textielblog met een hoofd vol onderwerpen waarover ik wou schrijven. Op de lijst stond ook eigen werk; ik heb plastic boxen vol wol en lappen bij de vleet om wat van te maken. Over huishoudtextiel nog maar niet te spreken; als we in Frankrijk zijn geweest is de auto volgepakt  met zakken damasten tafellakens, servetten, zakdoeken, linnen lakens, theedoeken, noem maar op. Ik maak dus vaak iets met die textielschatten.

Voor mezelf kleding maken deed ik zelden. Het kwam er altijd anders uit te zien dan ik in mijn hoofd had. Toch verlangde ik er soms naar en het afgelopen voorjaar kwam het verlangen uit.

Tijdens de eerste lockdown maakte ik een serie zomershirts met korte mouwen. Het patroon ‘The All State’ kocht ik via de site van Merchant & Mills. Het bleek een topper in onze garderobe te worden: een ruim shirt geïnspireerd op Amerikaanse shirts uit de jaren 50.  Het patroon is perfect, zoals alle patronen van dit Engelse bedrijf en de stap voor stap beschrijving is erg duidelijk. Via Etsy kocht ik stof uit Japan en India; op de markt vond ik ook stoffen die ik gebruikte.

Ik had er veel plezier in. Als je een aantal keren eenzelfde kledingstuk maakt, krijg je er meer handigheid in en verander je het soms ook wat. Negen shirts gingen in de vakantietas en we hebben ze, omdat we allebei ongeveer dezelfde maat hebben, met veel plezier gedragen.

Dunne stof, even door een sopje halen, uitspoelen en laten drogen in de zon. De rest van de kleding in onze tassen hebben we bijna niet aangehad. Wat is dat toch dat je altijd te veel kleren meeneemt op vakantie?

Daarnaast kocht ik het patroon van de Sorrento Bucket Hat van Elbe Textiles en maakte er vier in verschillende stoffen. Die gingen wel mee, maar het was veel te warm om ze te dragen. Wel een heel goed patroon, makkelijk en heel leuk om te maken.

Buckethat in linnen en geverfd met indigo
Buckethat in Toile de Jouy

Er liggen nu nog wat lappen op de plank voor shirts met lange mouwen, een kort jasje en broeken. Dat laatste vind ik lastig: hoe zet je ook al weer een rits in? Moet ik toch eens goed gaan uitzoeken. Eerst maar drukknopen zetten op dat wollen jasje dat daar al maanden op wacht.

In bericht 4 liet ik zien dat ik was begonnen een sprei te maken van de stoffen die ik van onze vriendin Tonny Hollanders heb geërfd. Al die repen stof heb ik aan elkaar gezet en sinds gisteren ligt de Tonny-sprei op ons bed.

Al met al was het veel werk om die lapjeslap te maken. Om de sprei te voeren koos ik een oud linnen laken dat ik afgelopen zomer bij de Emmaüs vond voor vijf euro. Het zag er wat bruinig uit en voelde stug. Na een wasbeurt bleek er onder die niet zo heel fraaie lap een zachte naturel linnen schoonheid te zitten.

Nu  ligt de sprei op ons bed en genieten we van al die stoffen en kleuren die Tonny zo graag droeg. Ik weet zeker dat ze het prachtig zou hebben gevonden.

Na de sprei is er een shawl waarvan de 550 steken nog afgekant moeten worden. Wel wat laat nu de lente in aantocht is, maar van shawls heb je nooit genoeg en wie weet heeft ‘aprilletje zoet nog wel een witte hoed’.

Patroon Koigu Linen Stitch Scarf in 5 verschillende kleuren Koigu Painter’s Palette Premium Merino (KPPPM)

Op mijn vorige berichten zijn er persoonlijke reacties gekomen. Dat vind ik geweldig die waardering, soms raakt het me, soms vertelt het een verhaal van de lezer of word ik er zelf wijzer van. Zo kreeg ik contact met Joke (zus van goede vriendin Anne) die een expert is in kantklossen. Als het weer kan, ga  ik zeker op haar uitnodiging in om bij haar op bezoek te komen en over haar ervaringen met kantklossen te horen.

Van Joke kreeg ik een kleine les kant onderscheiden. Ze schreef in een mail het volgende:

Er zijn twee manieren om kant te maken:  kloskant en naaldkant. Bij naaldkant zie je meteen dat er een soort festonneersteek is gebruikt om vlakjes op te vullen. (Foto 5 en 6 uitvergroten.) Beroemd is de Venetiaanse naaldkant,  die ook in reliëf werd gemaakt.

Foto 5
Foto 6

Bij de kloskant heb je twee technieken.

Kant met doorlopende draden:  je begint met 40 of 300 paren en alles maak je met die draden, van boven naar beneden. (Zie foto 7)

Foto 7

Kant in delen: hierbij worden smalle bandjes geklost, die in zigzag- of spiraal- of bloemvorm een vlak bedekken. Eventueel wordt daarna nog een opvulling voor de tussenruimte geklost. (Zie foto 10 links bovenaan.)

Foto 10

De namen van de kanten worden bepaald door de ‘grond’: de opvulling van de tussenruimte. Valencienne,  Mechels, Binche.

Joke schreef erbij dat ze niet van alles zeker is, omdat ze de achterkant niet goed kan zien en dat de foto niet goed uitvergroot kan worden. Toch vermeldde ze bij een paar kanten het woord ‘zeker’, dus die staan hieronder.

Foto 8 is een Binche, geklost in Brugge ca 1900.

Foto 8

Foto 9  is zeker een Mechelse kant. Doorlopende draden, Mechelse grond, dikke draad om de contour.  Erg arbeidsintensief en ambachtelijk de top.

Foto 9

De vroege kantklossters waren creatief – de namen zijn pas in de 19de eeuw bedacht – dus veel kanten passen niet in de namenhokjes. Ook zijn er kanten, die in de 17de eeuw werden geklost maar later niet meer, omdat het te arbeidsintensief was én omdat de mode veranderde. Die techniek is later weer opgepakt, bijvoorbeeld bij oude Binche (1700)  en Brugse Binche (1900). Allemaal behoorlijk ingewikkeld! Voor mij is Joke de KantKoningin.

In mijn vorige bericht schreef ik over de stoffenwinkel Voerknecht in Zutphen. Op Internet waren twee schokkende foto’s uit 1942 te zien van teksten die NSB-ers op de ramen hadden gekalkt.

Zou het Stedelijk Museum in Zutphen foto’s hebben van de stoffenwinkel, vroeg ik me af. Ik stuurde een mail en kreeg van collectiebeheerder Marieke de Jongh direct antwoord. Ze schreef dat er in het archief foto’s waren en dat ze die voor mij wel wilde opzoeken. Geweldig natuurlijk! Ik maakte een lijst van foto’s die ik graag zou willen zien en daar is ze nu naar op zoek. Ook nodigde ze me uit om hun textielcollectie eens een keer te komen bekijken. Hoe leuk dit alles!

8. Het begin van mijn liefde voor textiel

‘Hoe komt het toch dat jij zo geïnteresseerd bent in textiel?’ Die vraag werd me laatst gesteld. Het simpel antwoord is: door mijn moeder en tante Geertje.

Ik ben geboren in 1958 in een traditioneel gezin. Mijn vader werkte en verdiende het geld, mijn moeder was huisvrouw, en dat werd toen niet als werk gezien. Er waren drie zonen, ik ben de jongste. We waren niet arm, maar zeker ook niet rijk. Er werd zuinig geleefd. Mijn vader droeg pakken voor zijn werk. Mijn moeder maakte al haar eigen kleren zelf. Ik droeg vaak kleding die zij had  gemaakt.

Een feestshirt gemaakt door mijn moeder. Gemaakt van katoenen streepstof in wit, groen, geel en rood. Gefotografeerd door een beroepsfotograaf die bij ons thuis kwam.
Helaas is de foto beschadigd maar hier draag ik dat feestshirt op een familiefeest. Mijn moeder uiteraard gekleed in een zelf gemaakt pakje. Ik was denk ik een jaar of 6 en mijn moeder 46.

Als jonge jongen keek ik met bewondering naar haar vaardige handen. Ze kon veel: truien breien, broeken en shirts naaien, pannenlappen haken en zelfs de voorluifel van de caravan dichtmaken door er banen stof en ritsen in te zetten. Ik vond het leuk haar te helpen met wol opwinden. Een oude trui werd uitgehaald, de wol gewassen en in een streng te drogen gehangen. Zo’n streng hield ik met twee handen op en dan wikkelde zij er een bol van.  

Stof kocht mijn moeder op de markt in Zutphen. Daar had ze haar vaste kramen: hier badstof voor een badjas en daar bij een andere kraam corduroy voor een hip safari pak. Een rok in warme winterstof of een jurk van katoen. Ribcord voor stevige broeken in de winter en lichte stof voor broeken voor de zomer. Ze maakte vakantiekleren voor ons; die van haarzelf waren het laatst aan de beurt. Vaak werkte ze dan door tot laat in de nacht voor we de volgende ochtend weggingen. Opofferen zou ik  het nu noemen en jezelf op de laatste plaats zetten. Het heeft ook iets droevigs nu ik er aan terug denk, want mijn moeder had de capaciteiten om meer te leren.

Mensen die met textiel werken, kijken niet alleen met hun ogen maar ook met hun handen. De vingers van mijn moeder voelden die verschillende stoffen op de markt. Soms ging ik met haar mee en zag ik al die stoffen in de kramen op de markt van Zutphen. Ergens moet daar iets gebeurd zijn: ik werd geraakt, misschien door alle kleuren, dessins, texturen en structuren. Die marktkramen kan ik nog altijd voor me zien en de stoffen zijn bijna opnieuw voelbaar.

Als er iets bijzonders gemaakt moest worden, ging mijn moeder naar de chique stoffenhandel Voerknecht in de Turfstraat. Dat was een deftige winkel met wanden vol prachtige rollen stof en dames in jasschorten die achter houten kniptafels stonden en hielpen met keuzes maken. Die grote winkel en de geur die er hing, imponeerden mij. Het was er schoon en het rook naar nieuwe stoffen. En dan die verkoopsters die met een halve- meter-stok de stoffen maten en dan doorknipten! Ik heb het hele internet afgezocht voor een foto van die winkel maar helaas niks gevonden.

Patronen haalde mijn moeder uit de zelfmaakmodetijdschriften Marion en Knip. Later had ze een abonnement op de Burda, dat Duitse tijdschrift met goede kledingstukken en heldere patronen. Ze nam die knippatronen over met een ‘raderwieltje’ op patroonpapier. Het verbaasde me altijd dat ze de goede lijnen kon vinden om zo het patroon er uit te krijgen. Zelf heb ik nu een aantal Japanse patronenboeken van herenkleding en ik merk dat het niet altijd eenvoudig is om alle patroondelen er goed uit te krijgen.

Patroon Japans herenkledingboek

Ik ben nooit achter de naaimachine gekropen onder leiding van mijn moeder. Waarom weet ik niet. Er is iets geweest met een blauw India-sprei gekocht bij de Xenos. Daar zou een ochtendjas van gemaakt worden. Die is wel geknipt maar nooit in elkaar gezet. Ik denk dat ik veel van mijn moeder had kunnen leren hoewel haar preciesheid het tegenovergesteld was van mijn kunnen.

Het meeste wat mijn moeder maakte, was praktisch van aard; heel af en toe liet ze haar fantasie de vrije loop. Die inspiratie hiervoor kwam door handwerkcursussen, via het tijdschrift Ariadne en door aanschaf, omstreeks 1975, van de cursus: ‘Het Komplete Handwerken’ in de onderhand beroemde rode mappen. Die mappen staan bij mij in de boekenkast en de inhoud gebruik ik vaak voor mijn lessen.

Onmisbaar en vol goede informatie: Het Komplete Handwerken van Henriëtte Beukers

Af en toe kwam mijn tante Geertje op bezoek. Zij was de zus van mijn vader. Ze naaide en verstelde kleding bij een predikantengezin in de buurt van Meppel waar ze woonde en ze gaf naailes aan de eerste lichting Marokkaanse vrouwen bij haar thuis. Het handwerken zat haar in het bloed.  Ze hield er zo van dat ze altijd wat bij zich had om aan te werken. Een groot patchwork sprei of een tafellaken met doorstopwerk. Ze leerde me met sisaltouw een macramé plantenhanger te maken om een weckpot heen. Trots hing ik die voor het raam.

Breien leerde ik rond mijn 19de toen breien ineens hip was. Ik zat toen op de sociaal-pedagogische opleiding de Jelburg in Baarn en tijdens de lessen breiden we aan truien, dassen en mutsen. De docenten accepteerden dat; naast de stencils van sociologie – boeken hadden we niet in die tijd – lagen de meest ingewikkelde breipatronen. We hadden veel creatieve vakken, naast handvaardigheid ook muziek en drama. Mijn eerst trui breide ik met bruine wol van de Hema, een V-hals met ribbels tussen tricotsteken. In ons gezin werd daar raar tegenaan gekeken. Mijn vader vond het maar niets dat ik van ‘meisjesdingen’ hield. Later leerde ik in het geheim haken van mijn moeder, maar dat was het niet voor mij.

Om me voor te bereiden op de studie modevormgeving aan de kunstacademie in Arnhem besloot ik naailes te nemen. Modeontwerper wilde ik worden. Ik woonde samen met Bram die binnenhuisarchitectuur had gestudeerd en die me stimuleerde om naar de avondschool te gaan. Als voorbereiding ging ik elke dinsdagavond naar Gorssel waar ik tussen dames die het alleen maar hadden over goedkope lapjes de eerste steken zette. Uiteindelijk kwam ik thuis met een groen overhemd dat ik nooit heb gedragen.

Toelating voor de academie deed ik op een zaterdag in mei 1984. Het was de tijd van de lappenmode van Japanse modeontwerpers als Comme des Garçons en Yamamoto. Ik ging er heen in een roze overhemd en een khaki-kleurige broek. Ik zag er de meest exotische geklede jonge mensen in de ‘lappenlook’; die deden allemaal een poging om aangenomen te worden.  We werden aan het werk gezet, moesten een collectie piratenkleding maken en een serie tekeningen waarbij je van het ene ontwerp naar het andere moest gaan. In die tijd had ik ook modeltekenles, maar van ontwerpen wist ik niets. Mijn geluk was wel dat ik niet bang was en vol enthousiasme begon te schilderen. De piratenkleding kwam niet verder dan iets met strepen.

Foto uit Mode in het juiste perspectief, uitgeverij Librero

Na het bekijken van mijn map modeltekeningen vroeg docent Loukie von Freyburg me waar mijn ontwerpen waren. ‘Die zitten in mijn hoofd,’ zei ik. ‘En ik wil de studie doen om ze er uit te krijgen. Die kans wil ik graag pakken want als ik 40 ben doe ik het niet meer en dan heb ik spijt dat ik het niet heb geprobeerd. Jullie moeten me daarbij helpen.’ Later hoorde ik dat ze me door die opmerkingen wel moesten aannemen omdat er zo’n sterke motivatie achter zat.

Op de kunstacademie kwam mijn textielliefde tot bloei. Kleding ontwerpen vond ik lastig maar experimenten met textiel daarentegen geweldig. In mijn eindcollectie ‘Heroes’ zaten dan ook veel textiele technieken zoals borduren en zijde-schilderen. Ook kwam de macramé-techniek van tante Geertje in de eindcollectie terug in een herenjasje door vriendin Birgitta geknoopt. Tante Geertje heeft ook nog een generaalsjas voor die collectie in elkaar gehaakt en van borduursels voorzien. Met haar enthousiasme voor alles wat textiel was, heeft ze me aangestoken.

1989 Eindollectie Heroes, Jagende mottorijder in tweed, leer, macramé en borduursels
1989 Eindollectie Heroes, Arme generaal in oude wollen deken, panden aan elkaar gehaakt en vol borduursels. Pak van geverfde PLO shalws met gouden knoopjes een kwastjes.

Vorig voorjaar deed ik mee aan de uitdaging Stich Challenge en maakte ik een ode aan mijn moeder. Na de lagere school moest ze thuis blijven en het huishouden doen voor haar zieke moeder. Zo was dat in die tijd en daar klaagde je niet over. Dat ze diëtiste in een ziekenhuis had willen worden, heeft ze me verteld. En ook dat ze het vreselijk vond dat ze de schoenen moest dragen van haar oudere broers in plaats van leuke meisjesschoenen. Over haar jongensschoenen op de foto borduurde ik meisjesschoenen zoals haar vriendinnen droegen. De stoffen die ik gebruikte, waren haar zakdoekjes, shawls en handschoenen die ik had meegenomen na haar overlijden.

Dankzij haar en tante Geertje heeft mijn liefde voor textiel zich ontwikkeld tot op de dag van vandaag.

7. De andere kant van kant (2)

Kant, wat een schoonheid is dat toch als je er goed naar kijkt! En dan die verschillende soorten met prachtige namen zoals Grof Brugs Bloemwerk, Blonde, Chantilly, Point de Gaze, Valenciennes en Rosaline. En heel veel andere namen want kant werd in een groot deel van de wereld gemaakt. Ik kwam ze allemaal tegen in het prachtige Kantcentrum in Brugge. Over die namen wordt nog wel eens strijd gevoerd bij kantwerksters onderling. Je moet er heel veel verstand van hebben wil je sommige kantsoorten kunnen onderscheiden. Op de website van het Kantcentrum staat een aantal kantsoorten helder beschreven.

Milanese kloskant met ronde mazen uit de 2e helft van de XVII e  eeuw
(Collectie Kantcentrum Brugge)
Chantilly (Collectie Kantcentrum Brugge)
Point de Gaze, naaldkant (Collectie Kantcentrum Brugge)

Brugge, de stad die wereldberoemd is om het handgekloste kant. Veel toeristen gaan erheen om kantwerk te bekijken en een stukje te kopen. Het museum is gevestigd in de voormalige Kantschool van de Apostolinnen op het Adornes domein. Er is een permanente tentoonstelling van hun schitterende collectie kant door de eeuwen heen, een documentatiecentrum en op de eerste verdieping een zaal waar demonstraties worden gegeven door ervaren kantwerksters. Ik zag de dames niet alleen met wit of crème garen klossen, maar ze waren ook bezig met een modern kantstuk van glanzende, gekleurde garens.

Demonstratie Kantcentrum Brugge

Je hoort er het heerlijke geluid van klakkende klosjes die tegen elkaar slaan. De klosjes die het mooie geluid maken, zijn van palmhout, vertelde me een oude dame, die aan het klossen was. De andere klosjes maken ook geluid, maar dat klinkt lang niet zo mooi.

Hoor je het geluid?

Collectiebeheerder Rudy De Nolf was zo vriendelijk me informatie te sturen over de verschillende soorten klosjes. De palmhouten klosjes zijn populair omdat het een harde houtsoort is die, eenmaal gedroogd, een fijne structuur en een groot volumegewicht heeft. Het hout is glad en dat is voor het klossen geweldig. Palmhouten klossen zijn echter duur, dus niet iedereen klost ermee. Bovendien is het hout vrij zeldzaam. Na die van palmhout is de meest luxe klos die van ebbenhout. In de webshop van het Kantcentrum zijn ze te koop, naast andere klosjes van goedkopere houtsoorten.

Op de eerste verdieping is een lokaal ingericht voor de Kantschool; daar kan iedereen van jong tot oud les krijgen. Er zijn beginners- en docentencursussen, workshops en speciale cursusdagen. Als Brugge dichterbij zou zijn, zou ik me misschien aan een beginnerscursus wagen. De middag dat wij er waren, was een groep kinderen en jongeren volop aan het experimenteren met andere soorten garens dan die van het klassieke kant. Mooi om te zien dat meisjes en jongens met zoveel plezier en vrolijkheid aan het werk waren. Dat geeft hoop dat de techniek wordt doorgegeven en het ambacht levend gehouden. Van kantklossen kun je niet leven, maar het kan een mooie hobby zijn die veel voldoening geeft.

Witte zakdoek met gehaakt kant, gele zakdoek machinaal en geklost kant aan een linnen lap.
Alles eigen collectie

Het begrip kant geeft veel mensen een romantisch gevoel. De kanten sluier bij de bruidsjurk. Zakdoekjes met kant om een geliefde uit te zwaaien. Een kanten randje aan een sexy onderjurk. Kant geeft je een sensatie van luxe, zelfs een machinaal kantje kan dat doen.

Er is echter ook een andere kant aan de schoonheid van geklost kant uit het verleden: de sociale kant die met onderdrukking en uitbuiting gepaard gaat, ook al geven kantwerksters op ansichtkaarten uit die tijd een vrolijk en trots beeld. Daarover las ik in het boek ‘Kant in Brugge 1911, een technische & sociale omwenteling’, dat ik in de winkel van het Kantcentrum kocht.

Kant is sinds de 16de eeuw in veel landen in Europa gemaakt. Door de verbouw van vlas in België werd er in Brugge vaak met linnen geklost.

Brugse kantwerksters voor hun huizen (Via Erfgoed Brugge)

Stel je het volgende voor: Je bent een vrouw, getrouwd met een man die een karig loon verdient en jullie wonen met zes kinderen eind 19de eeuw in een armoedige buurt in Brugge. Twee kamers en een kelder. Je moet de eindjes aan elkaar knopen en je verdient wat bij door elke dag uren te klossen. Huisnijverheid heet dat en je vult er het loon van je man wat mee aan. Kantklossen heb je geleerd op een  van de Kantscholen die rond 1846 in Brugge zijn opgericht. Als jong meisje kreeg je les van een oude kantwerkster, die je onder een streng regime hele dagen liet klossen. Het grootste deel van het loon ging uiteraard naar de lerares. Je hebt er Binche, Cluny en Valencienneskant leren maken. Dat kun je allemaal en je kant is prachtig. Er is veel vraag naar, vanuit de modewereld en vanuit de katholieke kerk. Zo ben je in de val van het kantklossen getrapt. Naast het klossen houd je maar weinig tijd over voor het huishouden en de zorg voor je gezin.

Ansichtkaart (Via Erfgoed Brugge)

Je bent niet de enige die dit beroep uitoefent. In 1896 zijn er in België 47.740 kantwerksters. Dit stijgt met 60% naar 79.458 in 1910. Ongeveer 7% hiervan werkt in Brugge. Er is onderling een moordende concurrentie. Wie kan het snelst werken met het mooiste resultaat? Je krijgt per stuk betaald omdat je werkt met een ‘kantkoopvrouw’ die al jouw prachtige kanten voor een habbekrats ophaalt. Je hebt alleen een mondeling contract met haar. Ook ben je verplicht bij haar je kussen, garen, klosjes, naalden en spelden te kopen tegen hoge prijzen. Rond 1910 verdien je een weekloon bij 60 uur klossen van 5,50 fr. Een fabrieksarbeidster verdient in die tijd het dubbele. Uitbuiting is het, maar wat moet je doen? Je weet dat die kantkoopvrouw jouw kantwerk voor hoge prijzen verkoopt aan fabrikanten en andere opdrachtgevers. Bovendien zien alle kantwerksters elkaar als concurrenten; je verenigen tot een gezamenlijke partij en zo een vuist maken, zit er niet in. Daardoor sta je voortdurend onder druk. In tijden dat er minder vraag naar kant is, betaalt de kantkoopvrouw je minder of ze gaat met haar bestelling naar een andere kantwerkster.

Kantwerksters, jong en oud (Via Erfgoed Brugge)

Ik zie haar zitten in een vochtige kelder achter haar kantkloskussen vol spelden waarop een intrigerend stuk kant in wording te zien is. Met rode wangen wellicht omdat over een uur de kantkoopvrouw komt om het werk op te halen en het gezin nog moet eten.

Wanneer komt de kantkoopvrouw? (Via Erfgoed Brugge)

Wat een droevig beeld! De schoonheid van kant heeft ook een andere kant.

Kantschool van de Apostolinnen, let op het leeftijdsverschil (Via Erfgoed Brugge)

De meeste kantscholen werden opgericht door de geestelijkheid of door privé personen. De belangrijkste kantschool van Brugge in de 19de eeuw was de school van priester Leon de Foere, in 1816 gesticht in de Sint-Jakobstraat. De school bleef actief tot de Tweede Wereldoorlog.

Dagkantschool in de Timmermanstraat, (Via Erfgoed Brugge)
Kantschool Apostolinnen (1934), (Via Erfgoed Brugge)

De Zusters Apostolinnen hadden rond die tijd een kantschool in de Balstraat. In dit gebouw is nu het Kantcentrum gevestigd.

Ansichtkaart van kantwerksters waar het werk rooskleurig werd voorgesteld (Via Erfgoed Brugge)

De concurrentie van machinaal gemaakt kant is de doodsteek geweest voor de kantwerksters, ook wel Spellewerksters genoemd.

Brugse spellewerkster anno 1900, (Via Erfgoed Brugge)

SAX, pseudoniem van Emiel Van Biervliet (1851-1927) schreef in 1882 een gedicht over de kantklossende vrouwen. Een ode aan al die vrouwen die onderdrukt werden door kantkoopvrouwen, door geestelijken en opdrachtgevers; spellewerksters die kantwerk maakten waar je nu in musea ademloos naar kunt kijken.

De Spellewerkster

Hoe tripplen de boutjes al rommlen dooreen,
Hoe lieflijk, hoe zwierig, hoe vluchtig!
Hoe rollen, hoe kruisen, hoe paren, hoe scheen
Hoe springen zij geestig en kluchtig!
’T zijn juiste lijk wiemkes die ’s middernachts dansen
Op ’t kruis van den weg in betooverde kransen;
Hun stellen bevallige handjes de wet:
Zij toovren al hupplen een liefelijk net,
Waar weeldrige planten en bladeren groeien,
Waar wondere bloemen en roozen in bloeien,
Waartusschen men vogeltjes fladderen ziet
Die schijnen te zingen met ’s werkmeisje’s lied.

O, zeg mij wie leerde u die wondere kunst,
O meisje van Brugge, van Vlaanderens streke!
De rijkste geschenken van vorstelijke gunst
Die scheppen uw vingeren steke voor steke;
Maar gij, arrem kind, hebt gij brood wel te eten,
Als g’u schoonheid, uw kracht en uw jeugd hebt versleten?
Uw dagen en’ nachten die slaafdet gij door;
Wat werpt men u dan als een almoese voor?
Te weinig voor ’t leven, te veel om te sterven
Uw leven is werken en slaven en derven
Want ‘t geld van den rijken wiens praalzucht gij tooit
En vindt toch den weg van uw huizeken nooit.

Nogtans, arrem kind gij zijt meêlijden weerd;
Want eerlijk en braaf is de loop uwer dagen:
Uw needrige deugd, bij d’eenvoudigen heerd,
Moet de ziel van den Vlaming behagen.
De glans uwer oogen, de blos uwer wangen
Doet menigen braven werkman verlangen:
Eens maakt gij ’t geluk uit een’s jongelings hert
Met u zal hij deelen, zijn vreugd en zijn smert.
Ja werken zult g’altijd en slaven en zorgen,
Van gistren vermoeid en bekommerd voor morgen,
Als bruid en als moeder in blijdschap of pijn
Een vrouwe van Vlaanderen dat zult ge steeds zijn.

Jong meisje rond 1900, (Via Erfgoed Brugge)

Links:

Kantcentrum Brugge: https://www.kantcentrum.eu/

Historische foto’s/ kaarten via Erfgoed Brugge: https://erfgoedbrugge.be/

Gedicht ‘De Spellewerkster”via Brugse Verzen: https://brugseverzen.wordpress.com/2017/11/20/de-spellewerkster-1882/

Verhaal: zie http://brugselegenden.blogspot.com/2014/10/de-legende-van-serena-en-de-brugse-kant.html

6. De schoonheid van kant (1)

Een paar maanden geleden toen de kringloopwinkels nog open waren, kwam ik een groot aantal kantklosboeken en mappen met patronen tegen. Omdat een nichtje dit ambacht als hobby beoefent, besloot ik om een map te kopen. Syllabus Binche III van Anne-Marie Verbeke-Billiet. Na wat rondzoeken op Internet bleek ze als docente te werken voor het Kantmuseum in Brugge en van daaruit een aantal patronenboeken te hebben gemaakt, ook de map die ik kocht.

Nu weet ik wel iets van kantklossen: je doet het met houten klosjes en er bestaat zoiets als de halve slag en de netslag. Als kind heb ik het wel eens geprobeerd met halve wasknijpers als klosjes op een met flanel overtrokken blok piepschuim. Het kwam op mij over als een soort vlechten en dat is natuurlijk ook.  Behalve een boekenlegger leverde het bij mij niet direct een groot verlangen op om er meer te proberen.

De map echter fascineerde me. Er zitten acht patroonbeschrijvingen in met intrigerende namen zoals: De averechtse drie, ’t Puiltje, De grote 13e Eeuw, ’t Herte. De allermooiste naam vind ik Het Tornooi, het sluitstuk van Syllabus III. Het werkstuk beeldt een toernooi uit in de stad Brugge, te herkennen aan de halletorens en de kerktorens. Je ziet ridders op steigerende paarden, wapenschilden en veel slingerende lijnen. Alles van een grote schoonheid en vol beweging.

In de beschrijving staan termen als de Parijse slag, bolletjes met gaatjes en grote en kleine sneeuwvlokken. Ook worden termen gebruikt als openluchtjes, linnen en halve slag en kunstslagen. Dat zijn benamingen die mij niet veel zeggen maar waar ik me wel iets bij kan voorstellen als ik naar de afbeelding kijk.

Op een zogenaamde prikkaart zie je het patroon en de puntjes voor de plekken van de spelden. Daarnaast zit er in de map een grote technische tekening in kleur hoe de verschillende draden en groepen moeten lopen.  Dat is de zogenaamde Brugse Kleurencode. Elke kleur en lijn heeft een betekenis voor het klossen en een kantwerkster (er zijn weinig mannen die kant maken) die is ingevoerd in dit systeem kan er vlot mee overweg.

Wat een werk moet dat zijn geweest om dit ontwerp te maken en uit te voeren! Veel geduld en ervaring is erbij nodig om zo’n prachtig resultaat te krijgen. De kant heet Binchekant. Ontstaan uit de Oudvlaamse kloskant behoort de Binchekant tot één van de bekendste en fijnste kantsoorten, ongetwijfeld het neusje van de zalm.  Het wordt ook wel ‘toveressewerk’ of ‘Point de Féé’ genoemd. Alle Pointe de Féé is uiteraard Binchekant, maar alle Binchekant is geen Point de Féé; dat hangt af van de fijnte van de draad.  Deze recente benaming verwijst naar de rijkdom aan kleine vierkante kunstslagen die de grond omtoveren tot een ragfijn kantwerk, soms met honderden klosjes en altijd met zeer fijne draad.  Sinds ongeveer een eeuw maakt men geen kant meer in de stad Binche, waar deze vorm in de 17de eeuw ontstond.

Als ik een museum bezoek met schilderijen van mensen met kleding van kant maak ik altijd detailfoto’s, die ik in een mapje op Facebook opsla. Ik verbaas me vaak hoe verschillend kant wordt geschilderd. Soms heel precies zodat je elk draadje kunt zien, maar ook met grovere verfstreken waardoor een ander soort kant ontstaat. Kant werd in het verleden in Nederland gedragen door de rijken. Zij konden dit handwerk betalen. Niet alleen vrouwen droegen kant, maar ook de mannen. Je was een echte man in de tijd van Rembrandt als je overdadig kant droeg. Macho’s in kant zou je ze nu noemen.

Tijdens onze zomervakantie van 2019 in Frankrijk bezochten we het Museum Beaux-Arts et Dentelle in Alençon. In een vitrine lag een groot stuk kant waar ik lange tijd ademloos naar keek. Het is gemaakt door Maison Lefébure uit Bayeux en het was gereed aan het einde van de 19de eeuw of begin 20ste eeuw.

Het laat een middeleeuwse bruiloft zien en de afbeelding is niet geklost met klosjes maar met naald en draad. Deze naaldkant wordt Point d’Alençon genoemd. Het was heel bijzonder om er lang naar te kijken en steeds meer te zien. Een bruid in een lange middeleeuwse jurk met punthoed en een sluier die door een page van de grond wordt gehouden. De bruidegom in zijn mooiste kleren met in zijn hand een bos bloemen voor haar. Vrolijke muzikanten die bruiloftsmuziek spelen. Een hofdame met een krans van bloem in haar hand en een paard in feesttenue. Vogels in de lucht en een hond aan de lijn. Weken, waarschijnlijk maanden moet hieraan gewerkt zijn met geduld, precisie en waarschijnlijk ook tevredenheid als een figuur klaar en gelukt was. Onbetaalbaar zou het nu zijn om zo’n stuk te laten maken.

In de Emmaus-kringloopwinkel van Alençon was een Grande Vente en dan is de textielafdeling ook open! Daar lag een linnen laken met vier blokjes naaldkant erin verwerkt. De prijs was  €40,- en ik liet het daardoor toch even liggen. Even nadenken moet soms, maar niet te lang als je in een drukke kringloopwinkel bent. Jos zei: ‘Je krijgt spijt als je het niet koopt.’ Dat was het moment om terug te gaan, het laken te pakken en naar de kassa te lopen. De oude dame zei me in het Frans dat het een koopje was als je alleen al bedacht hoe lang erover dat kant is gedaan. Ze had natuurlijk gelijk en ik koester het laken nog elke keer als we er onder slapen.

Zelf krijg ik bijna zin om te gaan kantklossen. Gebruikte kantkloskussens en materialen zijn op Marktplaats voor weinig geld te koop. Toch heb ik er nog geen een gekocht omdat ik bijna zeker weet dat ik het er geduld niet voor heb. Maar genieten van kant zal ik blijven doen.

In mijn volgend bericht ga ik verder in op de geschiedenis van kant.

Links:

Kantcentrum Brugge: https://www.kantcentrum.eu/nl/home

Museum Beaux-Arts et Dentelle: http://museedentelle.cu-alencon.fr/

5. Textiel-onderwijs, een kwestie van beginnen en doorgaan

Sinds drie jaar ben ik voor een dag per week gastdocent bij SintLucas  in Boxtel. Op dit mbo-instituut geef ik les op de afdeling Textiel van de opleiding Vormgeving en Ambacht. In het gebouw waar ik werk, zijn ook de afdelingen Leer en Keramiek gehuisvest. De groepen zijn klein, de studenten (bijna) altijd enthousiast en mijn  collega’s leuk en inspirerend.

De eerste twee blokken van dit schooljaar gaf ik les aan de eerstejaars. Ze variëren in leeftijd van 16 tot 20 jaar. Ik moest hen de basisvaardigheden van naaien en breien leren. Omdat mijn vak een praktijkvak is, mocht dat op school gebeuren. Een praktijkvak digitaal geven is bijna onmogelijk. Mijn klassen waren nu gesplitst, de uren ook: in plaats van 3 groepen elk 2,5 uur gaf ik les aan 6 groepen elk 1 uur en 10 minuten. Dat was hard werken:  afstand houden en de hele dag een mondkapje op. Lange dagen maar aan het eind kwam ik moe maar voldaan thuis.

Cirkels van Jill

Blok 1.

De naaimachine is voor veel studenten een totaal onbekend terrein. Garen spoelen, inrijgen en stikken is voor hen een heel nieuwe wereld. Recht stikken is moeilijk maar oefening baart kunst en na de eerste les waren er zakjes voor lavendel of iets anders.

De uiteindelijke opdracht was een machinaal geborduurd ‘artwork’ te  maken dat op een t-shirt gezet kon worden. Tot verbazing van de studenten (en van mij!) waren de resultaten soms prachtig. Nog nooit iets gestikt en dan werk laten zien waaruit vrijheid en lef spreekt.

Gezichten van Marieke
Collage van Ana

Cirkels van Marike

Naast dit onderdeel maken ze bij mijn collega Irene van Vugt hun eerste hoed met vijftig  verschillende vormpjes. Ook daar waren aan het einde van de periode schoonheden bij.

Hoed van Chase
Hoed van Marike
Hoed van Sumeyra

Blok 2.

Breien staat op het programma met als eindresultaat een zelf ontworpen beanie oftewel een moderne muts. Werken met twee pennen en een bol wol. Ook dit is voor heel veel studenten nieuw. Concentratie is nodig en doorzettingsvermogen als de steken van je pennen vallen of als je ineens vijftien steken meer op je pen hebt.

Ik merk dat bij veel studenten hun fijne motoriek onvoldoende ontwikkeld is: ze hebben de kleine bewegingen nog niet in hun vingers. Volgens mij komt dat onder andere door het verwaarloosde peil van het schrijfonderwijs op de basisschool. Veel kinderen zijn onvoldoende geholpen in het ontwikkelen van een regelmatig handschrift. Waarom zou dat ook nodig zijn als je met je vingers het toetsenbord kunt bespelen?

Aan het einde van de eerste les waren er lapjes in rechte steek gebreid. Broddellapjes zou je ze kunnen noemen maar ik zie het als Overwinningslapjes die vol energie en concentratie waren gebreid en waar studenten terecht trots op mogen zijn. Daarna volgde de tricotsteek en de boordsteek.

Het ontwerp moest gemaakt worden naar aanleiding van een zelf gemaakt moodboard waaruit inspiratie gehaald kan worden.

Dan zijn er de  studenten die een simpele draagbare muts breien en leerlingen die zichzelf uitdagen.

En er ontstaan breiverslaafden die thuis van alles gaan proberen en dit trots laten zien.

Zoals Sebastiano die alles bewaarde in een doosje en die een muts breide die perfect past bij zijn moodboard. Noa die een bijzondere ‘lapjesmuts’ maakte en natuurlijk moest ik de ‘haaienmuts’ van Marike even op.

Moodboard Sebastiano
Muts van Sebastiano
Lapjesmuts van Noa

Muts van Marike

Bij Irene maken ze in diezelfde korte tijd een vilten pet waarop iets moet gebeuren. Borduurwerk op de pet van Isabelle en Davey.

Pet van Isabelle
Pet van Davey

Opgerold band bij Dide en smockwek bij Sebastiano.

Pet van Dide
Pet van Sebastiano

Trots ben ik op hen. Dat ze het doen in deze tijd waarin alles anders is en ze naast de twee dagen op school de rest van de tijd digitaal les hebben. Ook ben ik trots op mijn collega’s van de andere afdelingen die maken dat het onderwijs doorgaat.

Tot de zomervakantie geef ik les aan de derdejaars. Textielexperimenten als breien en borduren en materiaalonderzoek. Ik heb er zin in.

4. Het Paapje, Wim van der Doef en Tonny Hollanders

Onlangs overleed een dierbare vriendin van ons. We werden betrokken bij de begrafenis en bij het opruimen van haar huis. Tonny Hollanders was een bijzondere vrouw die naast liefde voor poëzie een grote passie voor textiel had. Dat was het onderwerp waar wij veel en vaak over spraken. Bij het opruimen van haar huis kreeg ik van haar geliefde de opdracht om alle stoffen die ik mooi vond mee te nemen. ‘Tonny zou dat zo gewild hebben want die liefde deelden jullie.’

Alle stoffen zaten keurig verpakt in dozen en op een daarvan stonden de namen Wim van der Doef en Paapje. De dozen gingen mee naar huis waar ik ze uitpakte, de stoffen goed bekeek en plannen maakte om er in de toekomst iets mee te gaan doen.

De namen Wim van der Doef en Paapje kende ik uit de tijd dat er nog kunstnijverheidswinkels bestonden. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw werden in dat soort winkels artistieke,  vaak handgemaakte producten te koop aangeboden: een uitgebreid arsenaal dat zowel met ambacht als met kunst te maken had. Ook deze kleurrijke stoffen kon je er kopen. Ze hadden iets kunstzinnigs en bijzonders en ze werden gekocht door vrouwen die hun eigen kleding maakten: eenvoudig van vorm zodat de stof goed uitkwam. De stof was prijzig, van goede kwaliteit en had een tijdloos karakter. Zelf kende ik niemand die kleding maakte van deze stoffen. Af en toe zag ik er een vrouw in lopen en dat herkende ik meteen.

Paapje stof

Van Tonny erfde ik ook een aantal jaargangen ‘Handwerken zonder grenzen’. In nummer 2 uit 1990 staat een groot artikel over de geschiedenis van Paapje, geschreven door Henriette Beukers en Els Stapersma.

Christiaan de Moor (1930)Portret van Hans Polak, oprichter van Weverij Paapje in 1930. Paapje was gelegen aan de Papelaan in Voorschoten. Het schilderij hing bij Paapje boven de tafel waarop de geweven kleden werden afgewerkt. Vandaar onderaan het schilderij gaten van stopnaalden, daar vastgeprikt om ze bij de hand te hebben. Collectie Textielmuseum Tilburg
Ontwerp Karel Appel 1953, collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Het bedrijf is in 1930 opgericht door Hans Polak (1884-1969) als een handweverij en -knoperij aan de Papelaan in Voorschoten. Dat zorgde ook meteen voor de naam van het merk. In 1937 werd begonnen met het hand bedrukken van stof. Hans Polak kwam uit een Rotterdamse familie van textielhandelaren. Hij had een groot kunstzinnig talent en was bevriend met een kunstenaars als Karel Appel en Kees Andres en architecten als W.M. Dudok en J.J.P. Oud. Door hen werden ontwerpen gemaakt die onder de naam Paapje werden uitgevoerd.

Divankleed (1938) Ontwerp Bas van Pelt, uitgevoerd door Paapje, collectie Textielmuseum Tilburg

Vanaf het begin werden de stoffen  onder andere bij Metz & Co en Bas van Pelt in Amsterdam en Den Haag verkocht. De prijs was hoog, daardoor was de klantenkring beperkt en bleef het uitgangspunt exclusiviteit gewaarborgd. Stof van Het Paapje was geschikt voor het interieur: voor gordijnen, bekleding van stoelen en banken, voor lampenkappen en kussenhoezen. Later werd dit aanbod uitgebreid met stoffen om kleding mee te maken. Stoffen die bedrukt werden waren o.a katoen, linnen en zijde.

Klaas van Biezen (2014)

Vanaf 1948 was Klaas van Biezen de belangrijkste ontwerper. Tot zijn pensionering heeft hij ongeveer 1400 ontwerpen gemaakt, vaak met dier- en plantmotieven. In 1965 ontwierp hij vogelmotief Gonnie. Daarvan trof ik in de doos van Tonny een klein deel in blauwe en bruine tinten. Dit ontwerp wordt nog steeds gedrukt. Op de website van Paapje is een zijden deken te zien met dit motief.

Dessin: Gonnie

Bij een brand in 1958 bij Paapje in Voorschoten ging de hele drukkerij verloren, maar het bedrijf ging door. Na een aantal wisselingen van directeuren sloot, in 1984, het bedrijf in Voorschoten de deuren. De stofdrukafdeling verhuisde naar Oldenzaal waar Brenda Punt doorging met het drukken van stoffen met de originele dessins en met haar eigen dessins.

Ondertussen is in 2009 Paapje overgedaan aan Carolien Huizinga die volgens de website vol enthousiasme bezig is om het merk een vernieuwing te geven zodat het weer kan meedoen in de kleding- en interieurwereld. Het nieuwe logo van de vogel Paapje vind ik van een grote vrolijkheid.

Maar hoe het nu gaat is onduidelijk. Op de website is te lezen dat je kunt bestellen, maar hoe en wat is onduidelijk. Op de Facebookpagina is al lang niks meer geplaatst. Ik las een artikel van een aantal jaren geleden dat ze vanuit haar woonplaats werkt met foto’s van kledingstukken die ze ontwierp in Paapjestoffen. Zag dat originele zeefdrukramen een aantal jaren geleden te koop waren in een winkel in Arnhem en waarvan er nu een op Marktplaats staat voor €395,-

Of het vrolijke Paapje vogeltje nog vliegt kom ik misschien nog te weten omdat ik contact heb gezocht met het bedrijf. Tot nu toe helaas niks gehoord.

Gisteren (26-01-2021) kreeg ik van Carolien Huizinga antwoord op mijn mail: Paapje bestaat nog! De oude motieven kunnen nog steeds worden gedrukt, wel in een andere techniek, en ik werk ook aan nieuwe motieven. De stoffen worden in opdracht gedrukt, op natuurlijke, biologische materialen, vaak voor gordijnstoffen, maar ook voor kledingstoffen. Ik heb dus geen voorraad en verkoop momenteel ook niet via winkels.

Het vrolijke Paapje vliegt dus nog en is springlevend

Ontwerp Wim van der Doef

Bij mij thuis staan nu die dozen van Tonny met kleine en grotere lappen handdrukstoffen. Niet alleen van Het Paapje maar ook van Wim van der Doef, die wat abstractere dessins ontwierp, ook handmatig gedrukt. De lappen zijn te klein om er bijvoorbeeld een overhemd van te maken, maar een eenvoudige quilt kan wel met kleuren die mooi op elkaar in werken. Daarom snijd ik nu repen van acht centimeter breed die ik willekeurig aan elkaar zet met de naaimachine. Lijkt me een mooie ode aan Tonny, Het Paapje en Wim van der Doef, drie partijen die alle drie zorgden voor textielschoonheid in de wereld.

(Mocht een lezer van dit blog nu opeens denken dat hij of zij nog wat lappen of lapjes  heeft liggen die niet gebruikt worden, dan houd ik me aanbevolen!)

Links:

Paapje stoffen: http://www.paapje.nl/

Artikel Paapje Libelle: https://docplayer.nl/10875670-Mooi-tijdloos-libelle-balance.html

Paapje op Facebook: https://www.facebook.com/Paapje-227170790769543/

Wim van der Doef via Handzeefdrukkerij Vlinder: https://www.vlinderzeefdruk.nl/

Textielmuseum Tilburg: https://www.textielmuseum.nl/

3. Zeeuws Meisje #Broederschap

Het laatste boek in de trilogie van het nieuwe Zeeuws Meisje, het fotoproject van Rem van den Bosch,  gaat over ‘Broederschap’. In het woordenboek staat bij die term onder  andere dat het gaat over de ‘band tussen mensen van een volk’.

Wat verbindt ons met elkaar is de vraag en hoe kunnen we met elkaar omgaan in de tijd waarin we leven? Corona heeft ons in zijn macht maar toch moeten we de moed erin houden en proberen om elkaar niet ziek te maken, fysiek niet en psychisch niet. Contact maken en in gesprek blijven kan een manier zijn om veranderingen in gang te zetten en te houden.

Wat heeft dit alles met mijn liefde voor textiel te maken (want daar gaat dit blog over)? Omdat ik een grote interesse heb in de geschiedenis van streekdracht ging ik deze week op zoek naar het fotoboek van Cas Oorthuys ‘Klederdrachten’ in de serie ‘De schoonheid van ons land’ uit 1962. Ik wou het al lang hebben, kocht een prachtig exemplaar voor een prikkie via boekwinkeltjes.nl en gisteravond werd het bezorgd. Het is een boek vol zwart-wit foto’s, gemaakt in een tijd dat er nog volop streekdracht werd gedragen in bepaalde plaatsen in Nederland. In het boek staan authentieke foto’s van mannen en vrouwen die het toen nog heel gewoon vonden om dagelijks dracht te dragen. Je kunt zien dat ze er trots op zijn. Het is een bijzonder boek over mensen die hun dagelijks werk uitvoerden, vol echtheid, vol vreugde en droefenis. Ook de Zeeuwse dracht staat er in.

Dracht is geen vaststaand gegeven. Dracht is ook onderhevig aan mode, bijvoorbeeld aan stoffen die trendy zijn. Toen trevira en nylon in de mode kwamen en werden gebruikt in burgerkleding kwamen deze stoffen ook voor in bijvoorbeeld de beuk: de borst- en ruglap die vaak te zien is in de Zeeuwse dracht.

Het boek Broederschap laat de traditionele dracht zien in stoffen van nu die bedrukt zijn met foto’s die Rem van den Bosch maakte bij de thema’s van zijn boek. Naast Zeeuwse meisjes staan er in dit boek ook Zeeuwse jongens in mannendracht, gemaakt met dezelfde stoffen die de nieuwe Zeeuwse meisjes dragen.

Naast foto’s staan er in deze aflevering ook weer prachtige interviews over dit thema. In het voorwoord schrijft Marlies Matthijsen: ‘De liefde voor het ambacht spat van de foto’s. En de interviews in dit boek geven hopelijk net een ander perspectief op leven en werken, op hoe we er samen een kleurrijke en zinvolle wereld van kunnen maken. In de hoop naar een nieuwe revolutie: naar broederschap en vertrouwen in plaats van concurrentie en wantrouwen. Naar duurzaam in plaats van wegwerp. Naar circulair in plaats van lineair.’

Van oorsprong was dracht natuurlijk bij uitstek kleding waar je lang mee deed. Mensen die dracht droegen, waren zuinig op hun kleren. Ze gingen er zorgvuldig mee om en ze repareerden hun kleren als die stukgingen. Ze hadden ook geen kasten vol kleding, in tegenstelling tot veel mensen van nu met kleerkasten die uitpuilen. Tegenwoordig wordt kapotte kleding vaak weggegooid want we weten niet meer hoe je iets kunt herstellen. Daar komt bij dat we vaak voor weinig geld nieuwe kleren kunnen aanschaffen.  

Nu lijkt het me niet zo geweldig als we allemaal weer in dracht gaan lopen. Die tijd is geweest en definitief voorbij. We willen en kunnen ook niet meer terug naar een gesloten wereld met strenge regels. We kleden ons nu zoals we geworden zijn: minder uniform dan vroeger, met meer oog voor het individuele. Maar iets van de mentaliteit van de dracht zou wel terug mogen komen: het op waarde schatten van de kleding die je draagt, er zorgvuldig mee omgaan en, als dat kan, kapotte kleding herstellen. Het zou een mooie stap voorwaarts zijn naar een duurzame wereld van broederschap wanneer steeds meer mensen zich zouden kleden vanuit die uitgangspunten.   

De Zeeuwse meisjes (en jongens) uit de boeken van Cas Oorthuys en Rem van den Bosch leren ons dat verbinding maken belangrijk is en dat je dat kunt afzien aan de manier waarop je je kleedt.

De drie boeken van het Zeeuws Meisje project zijn te bestellen via de site van Zeeuws nu: https://zeeuwsmeisje.nu/

2. Zeeuws meisje #Vrijheid

Moet je als Zeeuws meisje geboren zijn in Zeeland? Kun je ook een Zeeuws meisje zijn als je geboren bent in Syrië en nu in Middelburg woont?

Het fotoboek Zeeuws Meisje #Vrijheid van fotograaf Rem van den Bosch en zijn team geeft hier antwoord op. In het boek worden 26 verschillende meisjes van 18 uiteenlopende nationaliteiten geportretteerd die allemaal in Zeeland wonen. Ze komen uit China, Curaçao, Filipijnen, Haïti, India, Indonesië, Irak, Jamaica, Java, Marokko, Molukken, Nederland, Rusland, Sardinië, Syrië, Suriname, Tibet en Turkije. Allen dragen de traditionele Walcherse dracht, de streekdracht van een voormalig eiland dat heftig door bombardementen werd getroffen in de Tweede Wereldoorlog.

Na de Tweede Wereldoorlog werden de Verenigde Naties opgericht met als doel om vrede, stabiliteit, rechtvaardigheid en welvaart in de wereld te brengen. De lidstaten beloofden zich in te zetten voor mensenrechten en ‘fundamentele vrijheden’. President Franklin D. Roosevelt formuleerde in 1941 de ‘Four Freedoms’: vrijheid van meningsuiting, vrijheid van godsdienst, vrijwaring van gebrek en vrijwaring van vrees. Sinds 1950 worden elk jaar de Four Freedoms Awards uitgereikt aan personen of organisaties die zich voor deze vrijheden sterk hebben gemaakt. De voorouders van Roosevelt waren afkomstig uit het Zeeuwse Oud-Vossemeer. Vanaf 1982 vindt de uitreiking, in samenwerking met de Roosevelt Foundation in Zeeland, daarom internationaal plaats: in de even jaren in Middelburg, in de oneven jaren in New York

De VN nam in 1948 de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aan.

In artikel 1 staat het volgende:

 Alle mensen worden vrij en gelijk in waardigheid en rechten geboren. Zij zijn begiftigd met verstand en geweten, en behoren zich jegens elkander in een geest van broederschap te gedragen.

Natuurlijk is dat een mooi uitgangspunt maar de werkelijkheid is helaas vaak anders. Meer dan vijftig miljoen kinderen zijn in deze tijd noodgedwongen op de vlucht voor oorlog, geweld, armoede of natuurrampen.

Waar je geboren wordt, is medebepalend zijn voor de rest van je leven. Voor Nederlandse kinderen  geldt de leerplicht. In veel andere landen is dat niet vanzelfsprekend. Meisjes mogen niet naar school, moeten helpen in het huishouden en worden op jonge leeftijd uitgehuwelijkt. Jongens gaan verplicht het leger in en moeten vechten tegen de vijand. Vluchten is vaak de enige mogelijkheid om een ander leven te krijgen. Maar vluchten heeft een prijs. Trauma’s worden geboren en die maken een goede ontwikkeling vaak onmogelijk. Het duurt jaren, soms een mensenleven lang, om ze te verwerken.

Maar er is ook hoop, altijd is er hoop. Kinderen zijn flexibel, hebben vaak een andere kijk op de wereld dan volwassenen en ze kunnen op andere oplossingen komen. Ze zijn niet cynisch en hebben (nog) het vertrouwen dat het anders kan.

In zijn schoolprojecten stimuleert Rem van den Bosch schoolkinderen op hun eigen woorden te komen die te maken hebben met vrijheid. Hij startte een project in de Internationale Schakel Klas (ISK) in Middelburg. In het boek staat een interview met Hajar (meisje, 17 jaar, afkomstig uit Idlib) en Mervan (jongen, 17 jaar, afkomstig uit Aleppo) uit Syrië die met hulp van Unicef als vluchtelingen naar Nederland kwamen en die hun opleiding aan de ISK hebben afgerond. Beiden hebben een heftige vlucht achter de rug vol gevaar, bedreiging en onzekerheid. Via een aantal AZC’s belandden ze met hun familie in Middelburg. Doorleren is voor beide belangrijk. Mervan leert door voor automonteur en Hajar gaat verder in de zorg.

In het boek Zeeuws Meisje #Vrijheid wordt een mooie koppeling gemaakt met de vreselijke geschiedenis die de 87-jarige Kees Platschorre uit Ellewoutsdijk als kind meemaakte tijdens de Tweede Wereldoorlog. Er waren hevige gevechten uitgebroken tussen de Duitsers en de geallieerden die Zeeland bombardeerden, speciaal Ellewoutsdijk omdat de Duitsers daar de kerktoren gebruikten om de kust onder controle te houden. Het gezin Platschorre moest evacueren naar Driewegen, een dorp drie kilometer verderop. Daar zaten ze met twaalf mensen in een klein huisje, buiten klonk granaatvuur en explosies van bommen. Op 29 oktober 1944 kwam een granaat dwars door het dak; zijn moeder en twee zussen kwamen daarbij om. Kees Platschorre overleefde de aanval, net als zijn oudere zus en broer. Het oorlogsgeweld heeft diepe indruk op hem gemaakt; de gevolgen hebben zijn leven getekend. Herdenkingen zijn moeilijk voor hem omdat de beelden dan heftig terugkomen

Tijdens een les over het onderwerp Vrijheid hoorde fotograaf Rem van den Bosch de volgende zin: ‘Wij kennen al 75 jaar vrijheid, maar sommige kinderen kennen haar nog maar twee weken.’ Dat is een uitspraak die binnenkomt en je in een flits inzicht kan geven. In zijn werk verbindt Rem van den Bosch geschiedenis met actualiteit. Hij geeft het wonderschone traditionele textiel een politieke lading. Zonder drammerig te worden, gaat het hem hierbij, denk ik, ook om schoonheid, waarachtigheid en kracht.

Zeeuws Meisje #Vrijheid staat vol met prachtige meisjes die trots de Zeeuwse dracht dragen. Op hun hoofd een sterk gesteven bultmuts van broderie die gebruikelijk was voor meisjes in de tijd dat dracht nog dagelijks werd gedragen. Over hun rok een schort van Zeeuws schortenbont; een traditionele geweven stof met witte kettingdraden met zwarte en witte inslagdraden, in patroon geweven. Traditioneel waren de kleuren zwart-wit; het van origine Walcherse schortenbont werd voornamelijk gebruikt voor doordeweekse schorten.

Op de website van Het Geheugen vond ik een ansichtkaart uit circa 1905 waarop zes meisjes staan die niet vrolijk kijken. Jong Zeeland staat er onder. Hoe hun leven verder is geweest weet ik niet en zal ik ook niet te weten komen. Dat ze de beide Wereldoorlogen hebben meegemaakt is bijna zeker. Hun leven zal vast niet vol vrijheden zijn geweest. Misschien hebben ze de lager school doorlopen en moesten ze daarna werken om geld voor hun familie te verdienen. Net zoals mijn moeder dat moest na de lagere school.

De nieuwe Zeeuwse meisjes poseren ingetogen, met hier en daar een glimlach of een gevoel van trots. Ze houden geborduurde Engelse woorden in hun handen die tijdens lessen zijn geschreven.

Het is een positieve boodschap die ze uitdragen vol hoop.

Zeeuws Meisje is vrij, en heeft zin in de toekomst!

Links:

Foto’s Zeeuws Meisje #vrijheid Rem van den Bosch http://www.beeldinzeeland.nl/

Zeeuws Meisje op Facebook: https://www.facebook.com/Zeeuwsmeisjenu

Interview Kees Platschorre in de Volkskrant:https://www.volkskrant.nl/kijkverder/mijnbevrijding/v/driewegen/

Foto ansichtkaart Zeeuwse meisjes 1905 via: https://geheugen.delpher.nl/nl

1. Zeeuws Meisje #gelijkheid

Ik kwam Zeeuws meisje tegen. Niet het Zeeuws meisje van de margarine (geen cent te veel hoor!) maar het Zeeuwse meisje van nu, die wat te vertellen heeft over de wereld waarin we leven.

Ik kwam haar tegen in Ellewoutsdijk (Ellesdiek op z’n Zeeuws), een dorp in het zuidelijkste puntje van Zuid-Beveland. Ze hing als poster op een raam met daarbij de woorden Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap.

Daar wou ik meer van weten want ik heb een grote interesse in streekdracht. Via een toevallige gesprek met zijn vrouw Anaela Strutz voor hun huis kwamen we terecht bij fotograaf Rem van den Bosch die ons direct uitnodigde om binnen te komen. Daar begon hij enthousiast te vertellen over dit fotoproject waarover hij meteen zei dat het een gezamenlijk project is waaraan veel mensen meewerken.

Foto uit: Klederdrachten, een reis langs levende streekdrachten van Nederland, Constance Nieuwhoff, Willem Diepraam, Cas Oorthuys

De traditionele Zeeuwse dracht van Walcheren is het uitgangspunt. Herkenbaar aan het jak met korte mouwen, een beuk (een lap op de borst en rug), verschillende rokken, een halsdoek, short, muts, de krulvormige uiteinden van het oorijzer en de gehaakte omslagdoek. Die dracht zie je bijna niet meer op straat, of het zou een beeld moeten zijn. In diverse musea in Zeeland is de dracht nog wel te bewonderen.

Biggekerke, Walcherse boerin, Antoon Luyckx

Rem vertelt dat het project begon met het begrip ‘Gelijkheid’. Artikel 1 van de Nederlandse grondwet zegt:

‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook , is niet toegestaan’.

Rem wilde een ludiek signaal afgeven aan een aantal gemeentebesturen in Zeeland die weigerden de regenboogvlag te hijsen en daarmee geen solidariteit betuigden met de LGBTQ gemeenschap. Het werd uiteindelijk een boek vol beelden, achtergrondinformatie en interviews rond dit thema.

Hedendaagse modellen in unigekleurde dracht spatten van de pagina’s af.

Alles klopt in beeld met veel aandacht voor details.

Gehaakte omslagdoeken en ondermutsen die allemaal anders zijn.

Daagse sieraden want de zondagse droeg je echt alleen op zondag.

Fel gekleurde klompen met stompe neus, de dagelijkse draagklompen die je droeg als je op het land werkte.

In het boek ontmoeten traditie en vernieuwing elkaar. De traditie wordt op waarde geschat, juist omdat er een vertaling is naar de maatschappij van nu. Het is een boek met een politiek en bewustmakend statement. Over vriendelijkheid waarmee je een heel eind kan komen. Over trots zijn op waar je vandaan komt. Over een open blik naar de wereld en nieuwsgierig zijn.

Je kunt het natuurlijk schandalig vinden dat er zo met dracht wordt omgegaan en dat daarmee geen respect wordt getoond voor wat er was, en dat de dracht op deze manier wordt gepresenteerd als een soort carnaval. Maar dan heb je het, volgens mij, helemaal mis. Zo zit dit project niet in elkaar. Als je de interviews leest, merk je hoe gedreven Rem en zijn groep zijn, dat ze het hart op de goede plaats hebben en vol respect naar hun erfgoed kijken en daar iets mee willen doen dat van grote betekenis is.

Omroep Zeeland maakte een tv serie over dit project waarbij allerlei aspecten rondom ‘Gelijkheid’ aan bod komen. Zie: https://www.omroepzeeland.nl/tv/programma/370201155/Zeeuws-meisje/gemist

Naast dit boek werd er een educatief schoolproject gestart waarbij leerlingen in het basisonderwijs rondom dit thema opdrachten uitvoerden. Zelf werd ik geraakt door het filmpje over de rode jurk waarbij Rem in een schoolklas aan het werk is en het model twee vaders heeft die vertellen waarom zij het proejct goed vinden en waarom ze trots zijn op hun dochter. Zie: https://www.omroepzeeland.nl/tv/programma/370201155/Zeeuws-meisje/aflevering/370205425/Rode-jurk

Wij kochten natuurlijk dit boek een ook de andere twee over Vrijheid en Broederschap. Daarover meer in mijn volgende bericht.

Info:

Zeeuws meisje: https://zeeuwsmeisje.nu/

Rem van den Bosch: http://www.beeldinzeeland.nl/

Klompenmakerij Traas: https://www.klompen.com/

Zeeuwse sieraden: http://www.juwelierminderhoud.nl/

Zeeuwse dracht: http://www.wilmamode.nl/zeeuwse-klederdracht/

Haakwerk: https://www.facebook.com/antoinette.deschipper

Haar en visagie: https://excellencegoes.nl/wp/projecten/