44. Mirror Mirror – De psyche van mode

Onlangs waren we vijf jaar getrouwd; een goede reden om samen een dag weg te gaan. Vanuit Amsterdam Centraal sta je in één uur en vijftig minuten in de prachtige stationshal van Antwerpen Centraal. Vandaaruit loop je makkelijk naar het verbouwde en net weer geopende ModeMuseum, kortweg MoMu.

Tot 26 februari 2023 is in het MoMu de tentoonstelling Mirror Mirror – Mode & de Psyche te zien.

Hierbij is de focus sterk gericht op het lichaam. Hoe kijken we naar onszelf en hoe bekijken anderen ons? Modeontwerpers houden ons een spiegel voor, maken ons vaak mooier door hun creaties en kunnen ons gevoel van eigenwaarde versterken.

Een tweede deel van de Mirror Mirror-tentoonstelling is te zien in museum Dr. Guislain in Gent. Dit museum over de geschiedenis van de psychiatrie exposeert kleding en kunst, gemaakt door kunstenaars die naast de modewereld werken of die inspiratie geven aan modeontwerpers. Denk daarbij aan outsiderkunst. Natuurlijk zijn we nu van plan om ook nog naar Gent te gaan.

In de catalogus van beide exposities staat een foto van de kunstenaar Giovanni Battista Podestà die een ongelooflijk fantasievolle jas en hoed draagt.

We zagen zijn kleding twee jaar geleden in het museum La Fabuloserie, 100 kilometer onder Parijs.

Van top tot teen dragen we elke dag kleren. Ze beschermen ons tegen kou, maar ook tegen impertinente blikken van medemensen. Kleren kunnen ons zekerheid geven of troost. Via kleding laten we zien wie we zijn in al onze kwetsbaarheid. Maar er is ook een andere kant. Modefoto’s van perfecte modellen kunnen onzekere gevoelens opleveren; zeker als je jong bent en ervan overtuigd dat er veel mankeert aan je uiterlijk. Door de ‘verkeerde’ kleding te dragen in een groep met specifiek kledinggedrag kun je buitengesloten worden of niet serieus genomen. Draag je een rood colbert in een omgeving van mannen in donkerblauwe pakken, dan is de kans groot dat je als een clown wordt gezien en dat niemand je serieus neemt, zeker bij het nemen van belangrijke beslissingen.

Naast veel spiegels, de tentoonstelling heet niet voor niets Mirror Mirror, staan er sublieme kledingstukken en kunstwerken die schoonheid uitstralen én vragen oproepen.

Bij binnenkomst kijk je naar een beeld van een man, gekleed in een geruit pak, die zijn handen voor zijn ogen slaat. ‘I Feel Perfectly Terrrible’ is de titel van het werk, gemaakt van keramiek, tweed, katoen, hoorn en hout door Dirk van Saene in 2021. Direct komt de vraag op: wil hij ons niet zien of mogen wij zijn gezicht niet zien? Voelt hij zich ongemakkelijk of schaamt hij zich? Voelen wij ons een voyeur door zo naar hem te kijken?

Hoe zou er naar de vrouw gekeken worden als ze op straat loopt in de platte uit cirkels opgebouwde jurk uit de collectie herfst-winter 2012-2013 van Comme des Garçons?

Of in kleding van hetzelfde merk uit de collectie voor lente-zomer 1997 met al die vreemde uitstulpsels waardoor het ideale lichaam wordt vervormd. Bestaat dat ideale lichaam eigenlijk wel of is het een verzinsel?

De spectaculaire jurken van Noir Kei Nimoniya scheppen door hun materialen afstand, maar trekken juist door die afstand ook enorm aan.

Wat zou er gebeuren als je er in een drukke winkelstraat mee gaat lopen? Of ermee in de metro staat? Welke reacties zou je krijgen? Ik vond ze feestelijk en prachtig.

Tachtig meter tule zit er in de volumineuze jurk van ontwerpster Molly Godard. Zegt ze daarmee dat vrouwen hun plaats in de maatschappij moeten innemen? Dat ze met zo’n enorme jurk heel groots kunnen laten zien dat ze er zijn? Of is het een statement dat er geen eind komt aan groei en luxe?

Simone Rocha laat aan één kant van haar jurk de rok opbollen waardoor een vervreemdend effect ontstaat. Is het een verzakte heup of doet de wind dit stuk stof opbollen? Geeft ze zo kritiek op de idealisering van het perfecte lichaam?

Naast nog meer waanzinnig mooie kledingstukken die veel vragen oproepen, zijn er kunstwerken te zien. Bijvoorbeeld ‘Something Celia Said’ van Sarah Lucas uit de serie ‘Bunny Girls’ (2019). Een vrouwenfiguur opgebouwd uit opgevulde nylonkousen. Het beeld straalt kwetsbaarheid uit en geeft de ongemakkelijke, maatschappelijke positie weer waarin vrouwen zich vaak bevinden.

Van Genieve Figgis hangen er schilderijen, geïnspireerd op klassieke meesterwerken. In het werk ‘Vanity Fair’ zien we mannen en vrouwen met gezichten als maskers in een decadente omgeving. Is de klassieke schoonheid uit 18de eeuw hier verworden tot vlekken en ruwe penseelstreken of was die tijd niet zo mooi als we hem voorgespiegeld krijgen?

Van links naar rechts ontwerpen van: C.F. Worth, Ana de Pombo, Jeanne Lanvin

Mannequinpoppen of etalagepoppen kunnen verhalen vertellen. Nog nooit had ik in het echt de miniatuurpoppen gezien van het Théâtre de la Mode. In het Pavillon de Marsan in Parijs opende op 27 maart 1945 een tentoonstelling van 237 miniatuurpoppen met dag- en avondkleding, ontworpen door bekende Parijse couturiers en met grote zorgvuldigheid gemaakt. Stel je voor: Frankrijk direct na de Tweede Wereldoorlog, de economie van het land ligt in puin en deze expositie trekt bijna honderdduizend bezoekers. Het Syndicat de la Couture Française gaf door het organiseren van deze expositie een signaal van hoop af vol elegantie en creativiteit. Mode was niet gestorven door de oorlog!

In Engeland gebeurde in dezelfde tijd iets soortgelijks. Het Londense Couturehuis Lachasse stuurde een bijzondere pop de wereld in. Miss Virginia Lachasse was een mannequin van het huis. Van haar werd een kleine modepop gemaakt met een garderobe van 115 stuks.

Van miniatuur zakdoeken tot nylon kousen, van mantelpak tot bontjas: Virginia ziet er op elk moment van de dag perfect uit. Ze werd in verschillende Engelse steden tentoongesteld om geld in te zamelen voor het Fund for the Blind.

Wat gebeurt er als je anders omgaat met een etalagepop? De poppen uit 2002 van kunstenaar en modeontwerper Ed Tsuwaki hebben een heel lange hals waardoor ze bijna het plafond raakten van zijn winkel. Invloed van Modigliani?

De Nigeriaanse modeontwerper Kenneth Ize presenteerde zijn herfst-wintercollectie 2019 -2020 op zwarte etalagepoppen die werden geplaatst in de drukke straten van Lagos. Het moet voor het modepubliek vervreemdend zijn geweest om te zien dat mode zo werd neergezet. Uiteraard gaf de modeontwerper hiermee ook een politiek statement.

Het laatste deel van de tentoonstelling is gewijd aan avatars en andere digitale kunstwerken die sommige modemerken gebruiken bij de presentatie van hun kleding. Ik snap de link van technologie en mode, maar eerlijk gezegd ben ik meer iemand die ervan geniet om kleding in het echt zien.

Terug in de trein bedacht ik me hoe vreemd het is dat Nederland geen echt Modemuseum heeft. In België zijn er maar liefst drie: in Antwerpen, Hasselt en Brussel. Wat steekt Nederland daar schamel bij af! Natuurlijk zijn er af en toe prachtige modetentoonstellingen in Nederland, maar die zijn altijd onderdeel van een groter kunstmuseum.

Tot 1992 zat er in de Loeff Berchmakerstraat in Utrecht het Historisch Kostuum Museum. Daar is veel over te doen geweest las ik in dit artikel. Een deel van de collectie is nu in het bezit van het Centraal Museum.

Zeeuwse streekdracht & Surinaamse Koto’s in de laatste tentoonstelling in het Klederdrachtmuseum

Aan de Herengracht in Amsterdam was tot juni 2020 het informatieve en vrolijke Klederdrachtmuseum gevestigd. Het moest de deuren helaas sluiten door te weinig bezoekers. Corona heeft het museum de nekslag gegeven; door die lage bezoekersaantallen kwam het niet in aanmerking voor financiële ondersteuning. Heel jammer. En een grote schande.

Ook het schitterende Tassenmuseum in Amsterdam, het enige in de wereld, is permanent gesloten. Waar die schitterende collectie is gebleven, weet ik niet.

Mocht er ergens een serieus initiatief zijn om plannen te maken voor een zelfstandig ModeMuseum in Nederland, dan zou ik er graag aan meewerken.

43. Stoplappen in het Amsterdam Museum

Lades vol prachtige stoplappen. De bovenste is gemaakt door Sara Alida Tideman in 1780

Sinds anderhalf jaar ben ik een dag per week vrijwilliger op het textieldepot van het Amsterdam Museum. Dat depot is in Amsterdam noord en ik ga er altijd heen op de fiets en met de pont. Voor mij als textielliefhebber is het een walhalla in het kwadraat.

15 jaar was Elisabeth Susanna Kemgens toen ze deze merklap rond 1880 maakte.

Ladenkasten vol schitterend textiel, van fantastische merklappen tot sexy ondergoed, van waanzinnige waaiers tot sublieme schoenen uit de 18de eeuw. Verrijdbare kasten vol kleding van alle rangen en standen, keurig geordend en feilloos geregistreerd in het digitaal archief.

Ik leer er veel over (oud) textiel en kleding: hoe je kleren moet vervoeren (altijd aan de binnenkant vast houden), hoe je een silhouet aanpast op een paspop (laagjes fiberfill opnaaien net zo lang tot het klopt), hoe je etalagepoppen in elkaar zet en aankleedt (altijd de armen eraf en als de jurk er op zit heel voorzichtig de armen er weer aanzetten). Ik maakte er armen van opgevulde nylonkousen, beschreef kledingstukken voor het digitaal archief en deed nog heel wat meer.

Kledingset gedragen in nachtclub Roxy, Amsterdam Foto: Monique Vermeulen

Natuurlijk moet ook alles gefotografeerd worden. Dat gebeurt door Monique Vermeulen in de professionele studio in het depot. Ze maakt haarscherpe foto’s en ik help haar vaak een handje in die heerlijke wereld van licht en lenzen.

Rond 1800 maakte Alida Reekers deze stoplap

Voor de komende tentoonstelling ‘Continue the Thread’ (17 februari t/m 3 september 2023), over handwerktechnieken in het Amsterdam Museum moest een serie stoplappen gefotografeerd worden. Stoplappen zijn oefenlappen van linnen, katoen of wol waarop meisjes handwerktechnieken leerden.

12 jaar was het onbekende meisje toen ze deze schitterende stoplap maakte in 1753

Van de 17de eeuw tot het begin van de 20ste eeuw kregen meisjes les in het herstellen van beschadigd textiel. Na hun lagere school werden ze vaak linnennaaister bij een rijke familie. Er werd van hen verwacht dat ze textiel met scheuren, gaten en slijtageplekken goed konden repareren, zo onzichtbaar mogelijk het liefst. Textiel was duur en je moest er zuinig mee omgaan. Dat je daarvoor inzicht in weefsels, in de ketting en inslag, moest krijgen was een onderdeel van het leerproces.

Schitterende ruitstop uit stoplap hierboven.

Stel het je voor: je krijgt een linnen lap waar de handwerklerares een groot gat in heeft geknipt en jouw opdracht is om dat gat zo mooi mogelijk te dichten. Eerst span je er draden overheen die de ketting moeten voorstellen. Daarna weef je er, in een patroon keurig de inslagdraden doorheen. Bedenk dat wij goede lampen hebben en dat er in die tijd geen elektrisch licht was.

Voor meisjes met twee linker handen moet zo’n opdracht een straf zijn geweest. Frustrerend als het niet lukte en je een onvoldoende kreeg van die strenge handwerkjuffrouw.

1870, maakster onbekend

Voor meisjes die het leuk vonden, was het vast een feest om met allerlei kleuren garen een mooie stop te maken en zo een lap te vullen.

Detail uit stoplap hierboven

In de collectie van het Amsterdam Museum zijn geweldig mooie stoplappen te vinden. In principe komen alle voorwerpen in de collectie van het museum uit Amsterdam.

Linnen ondergrond, met zijde gestopt

De oudste is uit 1699, gemaakt door Aaltie of Aaltje Dircks Kruis. Met dun zijden garen heeft ze van een linnen lap een waar stopkunstwerk gemaakt. Veertien jaar was ze toen ze met haar dunne meisjesvingers hieraan geconcentreerd heeft gewerkt. Waar ze het stoppen heeft geleerd, is niet bekend, misschien in het Burgerweeshuis in Amsterdam.

1887, vervaardigd door L. Hofland

In de collectie zijn grote stoplappen opgenomen, maar ook werk van kleiner formaat.

1792, maakster onbekend

Meestal zijn ze vierkant, sommige in de vorm van een rechthoek. De indelingen zijn altijd anders. De hoeveelheid stoppen heeft te maken met de grootte van de lap. Gekleurd garen, meestal zijde en soms katoen, werd gebruikt om de weefpatronen zichtbaar te maken.

In 1898 gemaakt, vermoedelijk op de Amsterdamse Industrieschool

Op veel stoplappen staan de naam of de initialen van de maakster en het jaar waarin de lap is gemaakt. De initialen zijn goed te lezen, maar het is vaak niet meer te achterhalen wie achter die initialen zit.

1905, Helena Hoogeveen maakte deze stoplap op de naaischool van het Burgerweeshuis

Heel soms staat op de lap informatie over de plek waar de stopster woonde.

1920-1940 Diaconie Weeshuis der Nederduits-Hervormde Gemeente, maakster onbekend

De stoppen zelf zijn variaties op de eenvoudige linnenbinding en op de moeilijker keper- en satijnbinding.

Datering 1709, maakster onbekend

De moeilijkste stop was het gat dat aan de zijkant of in een hoek werd geknipt. Zie dat dan maar weer eens goed te krijgen: je hebt aan een kant geen stof waar een kettingdraad aan vastgezet kan worden.

Je moet engelengeduld en inzicht voor hebben om dat goed voor elkaar te krijgen.

Er is ook een meisje geweest dat haar lap niet heeft afgemaakt. Ergens in de 19de eeuw heeft ze zestien vakjes waarin een stop moest komen met zwart garen afgezet. Daarvan heeft ze er zeven afgemaakt, aan de achtste is ze net begonnen: de kettingdraden zijn gespannen en een deel is al gedaan.

Waarom zou ze het niet afgemaakt hebben? Vond ze het heel moeilijk of had ze er geen zin meer in? Haar stoppen zien er niet perfect uit zoals op andere stoplappen, maar ik zou het waarschijnlijk nog slechter hebben gedaan.

42. Over gaten zichtbaar herstellen

Werk van Evelien Verkerk

Op Facebook las ik bij een bericht van mijn goede vriendin Evelien Verkerk over het boek ‘On Mending’ van Celia Pym met als ondertitel ‘Stories of damage and repair’. Celia Pym is van oorsprong verpleegkundige. In dat werk werden vaak de woorden ‘on the mend’ gebruikt: ‘aan de beterende hand’. Mending oftewel herstellen is de laatste jaren populairder geworden. Een trui met een gat kan door een contrasterend borduursel nog jaren mee;  een scheur in een overhemd kan worden hersteld door er een lapje op te zetten van een andere stof. Bij ‘visible mending’ is de zichtbaarheid van de reparatie het startpunt. De reparatie mag en moet zelfs gezien worden. Het is een goede en creatieve manier om langer kledingstukken of ander textiel te gebruiken. Als je het goed doet, ziet het er geweldig uit, is het er rijker door geworden en kan het weer jaren mee.

Eerste fase herstel van het Baskische tafellaken met gaten

Mooi herstellen vraagt geduld en aandacht. Een aantal jaren geleden kocht ik bij een kringloopwinkel in Frankrijk een in plastic tape verpakt tafellaken. Er was een sticker opgeplakt waarop geschreven stond ’10 serviettes’. Of alles in goede staat was kon ik niet zien. Ik kocht het voor vijf euro en het ging mee naar Amsterdam. Nadat ik het uitgepakt had zag ik gaten in het tafellaken zitten. Ik besloot het zichtbaar te repareren en gebruikte daar een servet voor.

Zichtbaar gerepareerd Baskisch tafellaken

Geduld om het mooi te repareren bleek ik wel te hebben voor het oude tafellaken dat er na de reparatie heel vrolijk uitkwam.

Wollen shawl van Magee gekocht in Clifden, Ierland

Op een oude shawl kwam ik niet veel verder dan wat borduurgebroddel. Misschien moet ik daar maar verschillende lapjes op gaan zetten om de gaten weg te werken.

Visible mending direct toegepast op het boek

Ik bestelde het boek direct en kreeg het deze week in de bus. Helaas was het bij de hoeken gescheurd en beschadigd. Na een klacht erover kreeg ik het bericht dat me een nieuw, gaaf  exemplaar wordt toegestuurd. Ik moest er stiekem om lachen want een boek over herstellen dat beschadigd is, vraagt om ‘visible mending’.

‘On mending’ is geen doe-het-zelf boek over hoe je iets met repareren; daar zijn andere boeken voor zoals ‘Mending Matters’ van Katrina Rodabauch of websites van bijvoorbeeld Tom of Holland. Op de website ‘Nederlands gebreid’ van Evelien Verkerk zijn prachtige voorbeelden te vinden van historische stoplappen die als doel hadden meisjes te leren stoppen om zo kleding langer mee te laten gaan. Op de website staan ook patronen als je zelf zo’n stoplap wilt maken.

Houten stoppaddestoel, maasgaren en naalden, erfenis van vriendin Tonny Hollanders

In het boek van Celia Pym staan ontroerende verhalen over herstellen, verstellen en stoppen van kledingstukken. Ze schrijft dat sokken stoppen vaak het eerste is waar mensen aan denken als je het over dit onderwerp hebt. In mijn eigen geschiedenis klopt dat ook. Mijn moeder stopte alle sokken van haar zonen en haar echtgenoot. Ik zie mijn moeder nog zitten op de bank, hoe ze met haar vuist in een sok (ze gebruikte geen houten stopei of stoppaddenstoel) met een draadje maaswol in een naald een gat onzichtbaar stopte. Helaas heb ik geen sokken bewaard maar ik herinner me een paar dunne sokken van Comme des Garçons die ze met heel dun garen repareerde en die mijn echtgenoot Bram daarna nog door kon dragen.

Kleren zijn een tweede huid en ze vertellen verhalen over de mensen die ze hebben gedragen. Het lichaam zit in gebruikte kleren; dat kun je ook zien als je ’s avonds voor het naar bed gaan je kleren uittrekt. Wanneer iemand overlijdt, blijven zijn of haar kleren in de kast hangen. Na korte of lange tijd komt de vraag wat ermee moet gebeuren. Ga je ze zelf dragen, al dan niet aangepast? Breng je ze naar de kringloop?  Mogen vrienden er een keuze uit maken?

Celia Pym, tegenwoordig universitair docent textiel aan het Royal College of Art in Londen, ontmoet veel mensen die haar kapotte kleren brengen waar een verhaal achter zit. In haar boek zijn acht verhalen te lezen over reparaties op gebreide kledingstukken, een over twee rugzakken en de laatste gaat over een picknickkleed. Sommige verhalen gaan over familieleden zoals haar tante Elisabeth die weduwe werd nadat haar man Patrick Cobb omkwam tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Blauwe stoppages op de mouwen van het vest Foto: Michele Pazeri

Haar simpele naturelkleurige vest van het merk Murray Brothers heeft tante Elisabeth veel gedragen tijdens wandelingen met haar hond. Het vest sleet, met name bij de ellenbogen. Celia repareerde het twee keer liefdevol met twee verschillende kleuren blauw garen.

Gele stoppages op het oranje breiwerk Foto: Michele Panzeri

Een ander verhaal gaat over de oranje slip-over van Bill Smith, gebreid door zijn vrouw Ursie Smith ongeveer dertig jaar geleden. Bill droeg graag heldere kleuren en dit kledingstuk is er een voorbeeld van. In 2010 en 2017 is het meerdere keren gestopt met gele wol en Bill heeft het kledingstuk tot zijn dood in 2020 gedragen. Helaas is het verdwenen in het tehuis voor demente ouderen waar hij de laatste tien dagen van zijn leven verbleef. Door het verhaal met foto’s over deze slip-over te vertellen is het er toch nog.

Het kleine boek vol ontroerende levensverhalen via gerepareerd textiel bracht me ook bij een kledingstuk van mezelf dat Evelien Verkerk voor mij  heeft gerepareerd en dat ik sindsdien koester.

In september 2011 was ik met een groep collega-docenten in Italië in het kader van bijscholing. We bezochten scholen, bedrijven en een beurs. Op een vrije middag gingen we naar Venetië. In een kleine winkel van het merk Falconeri hing een tricot colbert. Dat had ik al eerder gezien in een andere winkel van hetzelfde merk in Vicenza, maar daar was ik al voor de bijl gegaan voor een mouwloos vest. In de winkel in Venetië trok ik het colbert aan en het paste zo goed! Toen een collega zei dat ik er spijt van zou krijgen als ik het niet zou kopen, kocht ik het jasje. Gemaakt van 100% wol in een subtiel blauw met bruin ruitje. Het ging mee naar Nederland en ik droeg het met een effen overhemd eronder als ik er bij speciale gelegenheden wat gekleder moest uitzien.

Mijn man Bram stierf op 2 april 2013. Op zijn begrafenis droeg ik het colbert. Dat was met een reden: niet alleen dat ik het graag droeg, maar Bram vond het me ook mooi staan. Het jasje gaf me warmte op een moeilijke dag vol herinneringen en omhelzingen van vrienden. Tijdens mijn speech aan het einde van de ceremonie gaf het me zekerheid. Ik ben ervan overtuigd dat het jasje me vertrouwen heeft gegeven tijdens die toespraak die je maar een keer kunt doen en die goed moet overkomen.

Herstelplekken aangegeven met wit garen Foto: Evelien Verkerk

Het colbert ging de klerenkast in. Ineens waren ze er, of waren ze er al langer? Motten die in de aanval waren gegaan op mijn gebreide wollen sokken, truien en vesten. Overal gaten! Al dat moois verdween in de vuilniszak. Ook mijn allermooiste jasje was niet aan de vraatzucht ontkomen. Die vliegende monsters hadden zich tegoed gedaan op verschillende plekken aan voor- en achterkant en op de mouwen. Mijn colbert vol herinneringen, ik kon wel janken.

Reparatiestadia Foto: Evelien Verkerk

Ik vertelde het aan Evelien Verkerk. Ze nam het jasje mee en repareerde het op een manier die ik niet voor mogelijk had gehouden. Ze maakte van al die gaten kleine, verfijnde contrasterende kleurvlakken in hetzelfde motief als het origineel. Dat ze daar het geduld voor had, vind ik nog steeds een wonder. Aan het colbert heeft ze een lichtheid en vrolijkheid toegevoegd. Dat past goed bij mij want eigenlijk ben ik een optimistisch mens en vind ik dat je het leven moet vieren waar mogelijk.  Als ik het colbert draag, krijg ik veel complementen; veel mensen denken dat ik het zo gekocht heb.

Mijn lievelingsjasje vol herinneringen

Er is iets aan toegevoegd dat te maken heeft met mijn leven en met speciale momenten dat ik het jasje droeg. Het verhaal van mijn colbert zou goed in het boek van Celia Pym passen.  

41. Een leven vol garens en kleur

Je hebt geluk als je nu als textielliefhebber naar het Kunstmuseum in Den Haag gaat. Niet alleen voor de expositie over Balenciaga, maar ook voor de tentoonstelling van het werk van Anni en Josef Albers. Net als de Balenciaga-tentoonstelling heb ik de Albers-expositie al gezien in Parijs tijdens de afgelopen kerstvakantie, maar iets moois terugzien verdubbelt het geluk. (Eind van dit jaar gaan we weer naar Parijs en ik verheug me er nu al op de objecten te bekijken op de Schiaparelli tentoonstelling in Musée des Arts Décoratifs en de echte jurken van Frida Kahlo uit Casa Azul in het modemuseum Palais Galliera.)

Catalogus bij de tentoonstelling, uitgeverij WBOOKS, Zwolle

Anni (1899–1994) en Josef Albers (1888–1976) ontmoeten elkaar voor het eerst in 1922 op de revolutionaire kunst- en ontwerpschool het Bauhaus in Weimar. De Eerste Wereldoorlog is net voorbij; de architect Walter Gropius richt in 1919 deze idealistische opleiding op. Het idee achter het Bauhaus is om de hoger geachte beeldende kunst en het lager gewaardeerde ambacht en industrieel werken samen te brengen en dat samengaan te waarderen. Zo’n soort samensmelting zou nieuwe ontwerpen opleveren.

Josef Albers, Stapelbare tafels (1927) Essenfineer, zwarte lak en gelakt glas

Studenten van het Bauhaus zijn verplicht om een introductiecursus te volgen waarin ze alles moeten vergeten wat ze ooit hebben geleerd. Ze volgen een praktijkgerichte opleiding op een van de vele werkplaatsen zoals meubels, metaal, wandschilderingen, glas in lood of keramiek. Gedreven beroemde leraren zijn onder andere de schilders Johannes Itten, Wassily Kandinsky en Paul Klee. Door deze aanpak ontwikkelt het Bauhaus een unieke manier van vormgeven in de veertien jaar dat het heeft mogen bestaan.

Josef Albers, Gitterbild (1921) (Parijs)

Josef Albers meldt zich op zijn 32ste aan bij de opleiding nadat hij al heeft gestudeerd aan kunstacademies in Berlijn en München. Hij voelt zich door de filosofie van het Bauhaus als een vis in het water. Van zijn vader heeft hij al leren timmeren, schilderen en met metaal werken. In eerste instantie kiest hij de opleiding glas hoewel de docenten liever zien dat hij gaat schilderen. Geld is een probleem voor hem en daarom zoekt hij naar glas in afvalbergen. Zijn assemblages zijn schitterend van kleur.

Anni Albers, die ook een opleiding aan het Bauhaus wil volgen, zakt voor haar eerste toelatingsexamen. Uiteindelijk lukt het haar toch om aangenomen te worden. Ze krijgt direct te horen dat ze de weefopleiding moet volgen. Dat is geen vrije keuze van haar. Van vrouwenemancipatie heeft de mannelijke leiding van het Bauhaus nog niet gehoord. Het gaat zelfs zo ver dat er een aparte vrouwenafdeling is en het wordt de Bauhausmädels niet aangeraden een andere werkplaats te volgen. Wat zou er gebeurd zijn als Anni voor metaal had gekozen of keramiek en Josef voor textiel?

Anni Albers, Wandkleed (1924), Katoen en zijde (Parijs)

De opleidingen aan het Bauhaus zijn niet gericht op figuratie maar op abstractie. Kleur en vorm zijn de uitgangspunten en die mogen niets te maken hebben met herkenbaarheid, anekdote of een persoonlijk verhaal van de kunstenaar.

Anni Albers, Wandkleed (1925) Zijde, katoen, acetaat (Parijs)

In eerste instantie heeft Anni moeite met de keuze voor weven. Iets gedwongen moeten doen, werkt meestal niet, maar haar aanvankelijk verzet verandert in een grote passie voor het vak. Schering- en kettingdraden zullen haar lang begeleiden in haar ontwikkeling. In eerste instantie wordt er op de afdeling gebruikstextiel gemaakt. Functioneel en de juiste uitstraling is het uitgangspunt in combinatie met verschillende garens en bindingen en dat alles in de juiste vorm.

Anni verwerft een grote materiaalkennis en experimenteert met allerlei combinaties van garens zoals jute, katoen, hennep, paardenhaar, acryl en cellofaan.

Anni Albers, Decoratietextielstaal (1929) Zijde, katoen en rayon

In 1930 studeert ze af met een ontwerp voor een wandbekleding in fluweelgaren in combinatie met chenille, metaaldraad en cellofaan. Het wandtapijt wordt geplaatst in het auditorium van de Vakbondsschool in Bernau.

Josef Albers, Overhemden van werklui aan de waslijn (1932) Gelatinezilverdruk

De nazi’s moeten niets hebben van abstractie kunstvormen. Ze dwingen in 1933 het Bauhaus te sluiten.  Anni en Josef Albers vertrekken naar Amerika waar ze als docenten gaan werken op de universiteit Black Mountain College in de bergen van North Carolina. Op deze experimentele opleiding staan ze aan de wieg van grote ontwikkelingen van het Amerikaanse kunstonderwijs. Uitgangspunt voor de ontwikkeling van de student is dat het proces centraal staat en niet het eindresultaat. Hun achtergrond van het praktijkgerichte ambachtsonderwijs van het Bauhaus combineren ze met de vrijheid van het Black Mountain College.

Anni Albers, Zonder titel (1946) Rayon, linnen, katoen, wol en jute
Detail weefsel hierboven

Ze dagen studenten uit op een andere manier te kijken en te onderzoeken. Maak zelf een weefgetouw van afval materiaal dat je vindt, is een opdracht die Anni aan haar leerlingen geeft. Schrijf je eigen naam in spiegelbeeld en op zijn kop, is een opdracht van Josef.

In 1940 ontwerpen Anni en Alexander Reed, toen nog student, later docent aan het College samen een serie geestige sieraden gemaakt van goedkope materialen als plastic ringetjes, haarschuifjes, paperclips en zeefjes.

Ik denk dat ze heel veel plezier hebben gehad tijdens het ontwerpen en maken. Het moet een bevrijding geweest zijn voor studenten en docenten om zo te mogen experimenteren. Ik zou het heerlijk hebben  gevonden!

Anni Albers, Detail With Verticals (1946)
Anni Albers, Diverse Textielstalen (1950-1959)

Door de sfeer van vrijheid op het college krijgt het eigen werk van het echtpaar een enorme ontwikkeling.

Anni Albers, Red and Blue Layers (1954) Katoen
Josef Albers, Variant /Adobe: 4 Central Warm Colors Surrounded by 2 Blues (1948)

Ze stimuleren elkaar ook. Op de tentoonstelling in Den Haag is dat duidelijk te zien.

Anni Albers, detail Variations on a Theme (1958) Katoen, linnen en plastic

Vanuit Amerika maken ze reizen naar Midden- en Zuid-Amerika.

Study for Homage to the Square (1967)

Josef vat een grote liefde op voor Mexico qua kleur en vorm en hij begint aan zijn grote serie ‘Homage to the Square’.

Anni Albers, Intersecting (1962) Katoen en Rayon

Anni maakt werk vanuit Precolumbiaans textiel waarvoor ze een grote passie krijgt.

Het werk van Josef, vol kleur, krijgt wereldwijd direct veel aandacht. De weefkunst van Anni wordt niet meteen gezien als moderne kunst, ondanks een solotentoonstelling in 1949 in het Museum of Modern Art in New York.

Anni Albers, Ark-panelen voor Congregatie B’Nai Israel, Woonsocket, Rhode Island (1962)

Ze combineert oude technieken met moderne beeldtaal tot nieuwe weefsels. Haar belangrijke boek ‘On Weaving’ (1965 en nu in herdruk) is een uitkomst van haar onderzoek.

Anni Albers, Epitaph (1968) Katoen, jute en lurex
Detail Epitaph, het laatste grote weefwerk van Anni Albers

In de jaren na 1968 komen er bijna geen weefsels meer van haar weefgetouw. Ze ontdekt tekenen en zeefdruk en onderzoekt dat medium ten volle. In 1985, ze is dan 86 jaar oud, zegt Anni in een interview: ‘Ik bemerk dat, wanneer een werk met draden is gemaakt, het als een ambacht wordt beschouwd; wanneer het een werk op papier is, dan ziet men het als kunst.’

Anni Albers, Camino Real (1969), Zeefdruk

Als kunstenaars, vormgevers en docenten beklimmen Anni en Josef Alberts dezelfde berg op zoek naar antwoorden op dezelfde vragen, maar ze bewandelden ieder hun eigen weg naar de top.

‘Learn to see and to feel life; that is, cultivate imagination. because there are still marvels in the world, because life is a mystery and always will be’

Josef Albers

De tentoonstelling in Den Haag is veel kleiner dan die in Parijs, maar het is een groot genot om die te bekijken.

Te zien t/m 15 januari 2023

40. La maison de Mariette

Haar werk zag ik voor het eerst op de Art Brut Biennale 2018 in Hengelo. Een wand vol wonderlijke poppen van textiel en een heftig geborduurd communiejurkje.

Ik vond ze heel bijzonder en ik werd direct nieuwsgierig naar de Franse Mariette die ze had gemaakt.

We kregen contact en ooit hoopte ik haar te ontmoeten en rond te kijken in haar eigen museum in Saint-Laurent-du-Pont, ergens in de Isère, tussen de vlakte van Guiers en het massief van Chartreuse.

Op een zonnige dag in de zomer van 2021 reden we erheen en parkeerden de auto onder het gebouw waarin haar eigen museum is gevestigd: La Maison de Mariette, ontworpen door haar man Bernard.

We belden aan en daar was direct de lach en het contact. Mijn Frans is niet goed, Jos kan het beter en Mariette sprak alleen Frans, maar dit bleek geen probleem als je openstaat naar elkaar en textiel een verbindende factor is.

‘Kijk rustig rond,’ zei ze. Dat deden we en vol verbazing verdwenen we in de hallucinerend mooie wereld van Mariette. Daar waren de poppen weer. Geen lieve poppen, wel sprookjespoppen die pijn doen en een eigen schoonheid uitstralen.

Poppen die je wat willen vertellen. ‘Poupées en mal d’enfantement’ noemt Mariette ze, letterlijk vertaald ‘poppen in pijn/smart van bevalling’.

Ze zijn gemaakt van allerlei soorten textiel in verschillende groottes en vormen.

Veel bruidswit en doopwit als symbool van onschuld, maar ook series in zwart en grijs.  Hoofden van klei of papier.

Ze hangen aan muren, liggen op tafels, staan onder stolpen of zitten in dozen.

Met of zonder hoofd, soms met een klein hoofd op een buik.

Er zijn poppen met armen op vreemde plekken, poppen met lange, dunne, omwikkelde benen.

Hun lijven met garen ingerold; driftig gemaakte steken moeten alles bij elkaar houden.

Kleine, witte, keramieken baby’s zijn ingebakerd met stof of met draden die onschuld uitstralen.

In een vogelkooi hangen witte babyschoentjes. Aan veel poppen hangt een klein label met een Romeins cijfer.

Er zijn veel verwijzingen naar de katholieke kerk: kruisjes met Jezus, scapuliers met Mariahoofden, kralen van rozenkransen.

Religieuze symboliek als hulp om staande te blijven? Ik zag in al dat werk de pijnlijkheid van het leven gevangen in textiel. Maar ik voelde ook dat verdriet een enorme motor kan zijn om iets te maken.

In de kleine catalogus over haar poppen vertelt Mariette het volgende: ‘Ik heb drie kinderen van wie ik houd, maar ik realiseerde me dat het me frustreerde dat ik hun geboorte niet had gezien, niet had meegemaakt. Ik moest deze pijn, dit gemis, dit groot onbehagen uiten. Op een dag, in februari 2005, besloot ik om 700 poppen te maken als therapie, een uitweg uit de noodzakelijke rouw. Dus ik maak deze poppen, ik werk er hard aan, en als ik klaar ben, kan ik rustig verder. Hun gemeenschappelijke thema is religie, spiritualiteit, vrouwelijke seksualiteit, magie. Sommige poppen lijden aan geboorteziekte, de pijn van de geboorte.’

Mariette komt, zoals ze zelf zegt in een film over haar, uit een gezin waar liefde volop aanwezig was. Een artistieke familie met een vader die kunstenaar was en een moeder die creativiteit stimuleerde. Ze is de derde op een rij van vijf zussen en ze groeide daardoor op in een wereld van vrouwen. Er werd veel met poppen gespeeld.

Hun moeder breide poppentruien en naaide poppenkleding. Nog steeds is haar moeder voor Mariette een voorbeeld.

Ze is ook op veel plekken in het museum zichtbaar.

Mariette heeft zich als autodidact ontwikkeld tot een kunstenaar die verschillende disciplines gebruikt. Naast het maken van poppen tekent en schildert ze, maakt ze kleine en grote objecten, tekent ze bij gedichten van Rainer Maria Rilke en Emily Dickinson, en maakt ze daarvan bibliofiele boeken in een kleine oplage.

Haar materiaal vindt ze op rommelmarkten, in kringloopwinkels of tijdens vide-grenier-verkopen. Ze is gespitst op materialen waar een geschiedenis inzit. Afbeeldingen van monsters en andere mythologische wezens, van huiveringwekkende helden en kinderlijk vrome heiligen, van tirannen en madonna’s. Met die vondsten stelt ze haar werk samen en maakt ze een eigen verhaal.

In haar atelier liggen al die materialen keurig gesorteerd in lades en kasten en er liggen creaties die afgemaakt moeten worden.

Natuurlijk kochten we werk van haar dat nu in ons huis een plek heeft gevonden.

Ik vond het een bijzondere ontmoeting met een zachtaardige en tegelijkertijd krachtige vrouw die uniek werk maakt, soms teder en liefdevol, soms scherp en schrijnend, van een aangrijpende, sprookjesachtige zeggingskracht.

Mariette, we komen een keer terug!

Website: https://lamaisondemariette.com/

Facebook:  https://www.facebook.com/mariette.maisondemariette

Instagram: https://www.instagram.com/lamaisondemariette/

39. Balenciaga, Meesterlijk Zwart

Er zijn tentoonstellingen die je als mode- en textielliefhebber absoluut niet mag missen. De expositie Balenciaga – Meesterlijk Zwart in het Haagse Kunstmuseum is er zo een.

Ruim dertig jaar geleden gaf ik les in modeontwerpen aan het Overgelder College in Zutphen. Toen gebruikte ik een prima lesboek over modeontwerpen; daarin stond een tekening van een jas van de Spaanse ontwerper. Dat boek heb ik jammer genoeg niet meer, maar die tekening staat nog op mijn netvlies. Op mijn zoektocht naar het patroon vond ik op deze site een papieren patroon op schaal van die jas.

Ik heb het dubbelzijdig uitgeprint en door een aantal knippen en vouwen maakte ik met behulp van wat plakband een klein schaalmodel van de ingenieuze  jas die in 1961 is ontworpen.

Op deze foto uit 1975 zet Diane Vreeland de jas op een pop voor het Balenciaga retrospectief in Metropolitan Museum of Art in New York

‘Balenciaga often said that women did not have to be perfect or beautiful to wear his clothes. When they wore his clothes, they  became beautiful’ (Diane Vreeland)

Christóbal Balenciaga wordt op 21 januari 1895 geboren in Getaria, een vissersplaats in Spaans Baskenland.

Zijn vader, José Balenciaga Basurto is zeevisser en burgemeester van Getaria. Zijn moeder Martina Eizaguirre Enbil  is naaister. Christóbal is de jongste van vijf kinderen. Een van de klanten van zijn moeder is de rijke markiezin van Casa Torres. Cristóbal, nog geen 12 jaar oud, vraagt aan de markiezin of hij een jurk voor haar mag maken. Ze stemt daarin toe en is onder de indruk van het resultaat.

In 1907, op 12-jarige leeftijd, begint hij als leerling-kleermaker bij Casa Gomez in San Sebastián. Een jaar daarvoor was zijn vader gestorven en het gezin heeft financiële problemen. Al snel blijkt dat hij talent heeft een goede kleermaker te worden. Bovendien komt hij door het werk van zijn moeder al jong in aanraking met de gegoede klasse die stijl heeft. In 1917 begint hij zijn eerste eigen modehuis in San Sebastián. Hij is dan 22 jaar.

Er volgt een haute couture modehuis in 1924, en in 1927 nog een nieuw modehuis onder de naam Eisa Costura, beide in San Sebastián. Bij het begin van de Spaanse Burgeroorlog in 1936 verlaat Cristóbal Spanje en legt hij de activiteiten van zijn drie modehuizen tijdelijk stil.

Op 7 juli 1937 opent hij zijn modehuis in Parijs, op nummer 10 van de Avenue George-V. In datzelfde jaar presenteert hij zijn eerste collectie. Op bevel van de Duitse bezetters moet hij in 1944 zijn modehuis sluiten. Na de bevrijding heropent hij en vanaf dat moment lanceert hij elk jaar zijn collectie.

Links Wladzio en rechts Cristóbal

In 1948 overlijdt in Madrid plotseling zijn grote liefde en medewerker, de Frans-Poolse aristocraat Wladzio d’Attainville. Balenciaga staat op het punt om met zijn modehuis te stoppen, maar Dior zou hem ervan hebben weerhouden. In dat jaar maakt Balenciaga zijn hele collectie van zwarte stoffen als een ode aan zijn geliefde.

In 1968 sluit hij zijn modehuis en keert hij terug naar Spanje. Hij vind de mode van die tijd vulgair en  het tegenovergestelde van zijn elegante ontwerpen. Op 24 maart 1972 overlijdt hij in Xábia, vlakbij Valencia. Hij ligt begraven op het kerkhof in Getaria, de plaats waar hij werd geboren.

In 2011 is het Cristóbal Balenciaga Museoa in Getaria geopend. Aan het oude huis waar de ‘Marqués and Marquesa of Casa Torre’ in het begin van de 20ste eeuw woonden, is een groot glanzende zwarte uitbreiding geplaatst. Ooit hoop ik er heen te gaan om nog meer creaties van hem te zien en nog meer te weten te komen over de man achter dat werk.

Foto: Henri Cartier Bresson

Van Balenciaga wordt gezegd dat hij de enige modeontwerper is die elke fase beheerste in het hele proces van kleding creëren: van schets tot uitvoering. Veel ontwerper hebben daar vakmensen voor, zoals patroonmakers en naaisters. Hij had die vaardigheden tot in de puntjes geleerd in zijn jonge jaren en hij kon het allemaal. Christian Dior heeft eens gezegd dat Balenciaga de meester was van hen allen. ‘Hij was de dirigent van het orkest van de haute couture en wij, de andere couturiers, waren orkestleden die naar hem moesten luisteren.’ Of ze daar zo allemaal over dachten, is natuurlijk de vraag.

De eerste tentoonstelling die ik zag met werk van deze geniale ontwerper was in het ModeMuseum in Antwerpen.

In het voorjaar van 2016 was daar de tentoonstelling Fashion Game Changers.

Daarna bezocht ik in het voorjaar van  2017 in musée Bourdelle in Parijs zijn expositie Balenciaga, L’oevre au noir. Zijn kleding paste wonderlijk goed bij de beelden van Bourdelle.

Van beide tentoonstelling was ik erg onder de indruk. Zijn kleding benadrukt de vorm die vooral in zwarte stof zo prachtig uitkomt. Na al die jaren zijn de kledingstukken nog sterk en krachtig; ze kunnen nu nog gedragen kan worden. Christóbal Balenciaga is een kledingarchitect, zo zie ik hem.

Nu is er dan eindelijk een grote tentoonstelling in Den Haag. In samenwerking met Palais Galliera en het Archives Balenciaga, beide in Parijs, is het een spectaculaire expositie geworden met meer dan honderd topstukken.

Bij de entree hangt de beroemde foto van Irving Penn van fotomodel Sue Murray in een vermaarde avondjurk genaamd Rose dress. Haar hoofd verdwijnt bijna in de  grote bloem van gemouleerde stof.

Vanaf het begin dat je in de tentoonstellingsruimte loopt, word je omgeven door grijze wanden en zwarte vloeren en op wat kleur na door zwarte kledingstukken, geweldig uitgelicht.

De ontwerptekeningen  en proefmodellen, ook wel toiles genoemd, in de eerste ruimte intrigeren direct.

Je ziet pijltjes voor de richting van de stof en proefmodellen in zwarte stof waarop lijnen zijn gestikt in verschillende kleuren.

De machinale steken zijn voor de naden en inkepingen en de rijgsteken voor de loodlijn. Hier zie je al de perfectie die in zijn werk zit. In zijn ontwerptekeningen wordt duidelijk hoe de vorm van het kledingstuk ontstaat.

Er zijn mantelpakken met verschillende kragen en modetekeningen van Constance Wibaut die als een van de weinige modejournalisten toegang had tot zijn modeshows.

Zij vond zijn werk altijd sterk,  boeiend en gepassioneerd.

Twee dezelfde jurken in dezelfde stof maar verschillend van kleur maken zichtbaar dat de vorm in zwart beter uitkomt.

In de tentoonstelling is veel volume te zien. Dat is zeker het geval in de grote zaal waar je even van verbazing niet weet waar je moet kijken.

Kleine capes die opbollen, een lange jurk die vol lucht lijkt, een rimpeling onder de heupen, een bolling op de rug.

Veel van zijn creaties werden gemaakt van gazar. Dat is zijde die nauwelijks is uitgekookt of gesteven. Gazar is een luchtige stof die volumes kan opleveren en een paarlemoeren glans heeft. Vanaf 1958 werkte de ontwerper met dit materiaal, ontwikkeld door Gustav Zumsted voor het Zwitserse textielbedrijf Abraham.

Naast die grote volumes zijn er ook jurken gemaakt van twee verschillende zwarte stoffen, glanzend tegen dof. Zijde en wol in een mooie combinatie.

Detail foto gemaakt tijdens de tentoonstelling in Parijs

Een van mijn favorieten staat er ook: de jurk, model 128 uit 1967. Een jurk van gazar die op de schouders hangt met gouden kettingen bezet met parels. Hoe graag zou ik een vrouw met zo’n jurk willen zien lopen!

Balenciaga heeft in zijn werk ook met kleur en dessins gewerkt. In deze tentoonstelling is daar niets van te zien, of het moet het zachte huidkleurige roze dat hij gebruikt voor decoraties.

Aan het einde van de tentoonstelling is er een video van de Balenciaga haute couture collectie voor winter 2022/2023. Ik was er niet van onder de indruk en vond het weinig subtiel qua vorm.

Balenciaga nu is het tegenovergestelde van de verfijnde collecties die Cristóbal in zijn tijd ontwierp. De van oorsprong Georgische Demna Gvasalia kortweg Demna is sinds 2015 hoofontwerper. Het label Balenciaga is ‘hot’ geworden door spraakmakende collecties en modeshows waarin streetwear een rol speelt. Popsterren en filmsterren zitten op de eerste rij of lopen mee in de modeshows. Een samenwerking met Adidas resulteert in sweaters met beide logo’s. Peperduur zijn die kledingstukken en accessoires. Pervers vind ik het in onze huidige tijd van klimaatcrisis, energieproblematiek en het falend kapitalisme. Deze decadentie is niet aan mij besteed.

In 2022 bracht het modehuis de versleten ‘Paris sneakers’ uit die $1850,- kosten.

Op de site van Balenciaga zie ik bij ‘objects’ een porseleinen koffiekop met deksel voor $110,-, gemaakt in China. Waar precies wordt niet vermeld en ook niet onder welke omstandigheden. Natuurlijk schrijven ze over de ‘carbon footprint’ en ‘sustainability’ maar welk fonds het is waar ze geld in storten staat er niet bij. Wat dat fonds concreet doet en hoe ze daardoor de ‘footprint’ verminderen, lees ik ook niet.

De Prêt-à-porter collectie voor voorjaar/ zomer 2023 werd gepresenteerd in een modderpoel die deed denken aan de oorlog die er nu is.

Op de stoelen van de gasten lag bovenstaand statement. Rapper Kanye West opende de show als militair in gevechtstenue. Modellen liepen op houten klompen en delen van de kleding waren met modder besmeurd. Overigens is op 21 oktober j.l. bekend geworden dat Balenciaga de banden met Kayne West heeft verbroken wegens zijn antisemitische uitspraken in interviews en op Twitter.

Modejournalisten vonden de modeshow fantastisch. Natuurlijk zit er een verhaal achter deze collectie, maar ik vind het flinterdun. Misschien ligt het aan mij, deze woorden staan zo in contrast met de prijzen die het label vraagt. Alleen de rijken kunnen het zich permitteren en die zitten op de eerste rij bij de shows. Nu kun je zeggen dat de kleding van Christóbal Balenciaga ook alleen door rijke mensen gekocht werd. Dat is waar, maar hoe het label zich nu schreeuwend neerzet met logo’s op tassen en kleding vind ik een grote tegenstelling met de eenvoud, raffinement en elegantie van toen.

Bijna twee uur liep ik rond op de tentoonstelling in Den Haag: kijken en nog meer kijken tot ik het vakmanschap en de schoonheid in mijn geheugen kreeg.

De uitstekende catalogus met veel achtergrondinformatie ging mee naar huis.

De tentoonstelling is te zien t/m 5 maart 2023. Ga er heen als je tijd hebt.

Mocht je er voor 30 oktober naar toe gaan, bezoek dan ook de tentoonstelling van Duitse mixed-media kunstenaar Wiebke Siem op de begane grond.

Haar jurken en installaties brengen een heerlijke lach teweeg.

‘Balenciaga, Meesterlijk Zwart’ is te zien in het Haagse Kunstmuseum tot 3 maart 2023.

37. Achterstallig schrijfwerk en Baskische tafellakens

Vorige week, tijdens het inspirerende tweedaagse lustrum van de Nederlandse Kostuumvereniging, kwam ik al op de eerste dag twee lezers van TextielLiefde tegen. Ze vertelden dat ze elke week uitkeken naar mijn nieuwe artikel en dat ze het met veel genoegen lazen. Leuk om dat te horen! Ik werd er verlegen van. Ze hadden het de afgelopen maanden gemist toen er niets verscheen. Ik kan ze geruststellen: ik ga proberen elke week een artikel te schrijven. Er liggen genoeg ideeën en foto’s op de plank van mijn textielontmoetingen in de afgelopen tijd. Zo was ik donderdag 6 oktober bij een inspirerende TextielTalk over weven bij De Katoendrukkerij in de Volmolen in Amersfoort. Het werk van Mirjam Hagoort en Gunta Stölzl (1897-1983) maakte me nieuwsgierig. Ook zijn er onderwerpen in het verschiet: de tentoonstelling van Cristóbal Balenciaga in het Haagse Kunstmuseum. Ik ga naar Enschede Textielstad en naar het net weer geopende ModeMuseum in Antwerpen. Kortom, schrijfwerk aan de winkel.

In de stad Bayonne in Frans Baskenland was ik nog nooit geweest. Tijdens de lange zomervakantie van 2021 waarin we een Tour de France maakten, kwam ik er voor het eerst.  Het enige dat ik wist van textiel uit deze regio was dat er rode baretten gedragen worden. Ik had het nog niet gedacht of de eerste was te zien op een muur.

Aan de Quai des Corsaires 37 staat het prachtige Musée Basque de l’histoire de Bayonne. In dit oude gebouw is een grote collectie voorwerpen en schilderijen te vinden uit de cultuur van Baskenland. Ik viel met mijn neus in de Baskische boter: er was een schitterende textieltentoonstelling met de titel ‘Haritik Harira’ oftewel ‘Van draad tot draad’.

Met veel plezier dwaalde ik door alle ruimtes. De traditionele Baskische kleuren rood en groen spatten van de schilderijen af.

Op een aantal doeken werd vol Baskisch vuur de fandango gedanst. Hoe dat in het echt gaat, zie je op deze video.

Snel werd me duidelijk dat veel tradities in Baskenland hun eigen soort kleding hebben. De meeste feesten hebben een religieus karakter met processies en dansen.

In de tentoonstelling stonden kleine beeldjes van figuren die voorkomen in de Maskaradas. Aan het eind van de winter en het begin van de lente wordt dit theaterspel in veel dorpen opgevoerd.

Jonge inwoners stellen verschillende personages voor. Natuurlijk is er volop eten en drinken voor iedereen, terwijl de groep zingt en danst.

De Zamaltzain oftewel de paardenman is de beroemdste dansfiguur.

Bij de Godalet dantza wordt gedanst rond een glas wijn; de dansers gaan er zelfs even op staan. Met zo’n paard om je lijf is het zicht natuurlijk moeilijk; er zal vast wel eens een uitvoering zijn geweest waarbij het glas omging. Naast de paardenman zijn er nog meer personages die schitterende kleding vol borduursels en strikjes dragen met bijbehorende hoofddeksels.

Bij kledingtentoonstellingen is vaak niet zoveel mannenkleding te zien.

Daarom viel mijn oog direct op de Xamarra, die rond 1900 gedragen werd. Dit korte wijdvallend mannenjasje in zwarte wol sluit met vier knopen, die verbonden worden met een bandje. Het werd gedragen door paardenhandelaars.

Dit exemplaar met mooi overhemd en baret zal vast gedragen zijn op een feest of bij officiële gelegenheid.

Een blauw met rood gebreid vest dat sluit met koordjes waaraan een pompon hangt, een mendigoizale uit 1960, trok ook mijn aandacht. Herders droegen dit kledingstuk tijdens de koude winters in de bergen van Navarra. Helemaal gebreid in ribbelsteek heeft het ingebreide motieven die te maken hebben met de Baskische geschiedenis.

Beeldschoon vond ik deze vrouwenkleding (einde 19de eeuw) uit de Vallée de Salazar.

Rijk van stof en decoratie en gedragen met schitterende sieraden.

De man uit de Vallée du Roncal ziet er deftig uit in zijn zwarte pak met losse, witte organza flappen aan de voorkant. Vast en zeker kleding voor de rijken die zich dit soort kleren konden permitteren.

Het balspel Pelota, een soort van kaatsten, wordt gespeeld met een racket (een pala of paleta)of met een kleine gebogen mand die om de hand gaat (een cesna). Vroeger droegen de spelers daar een baret bij en gekleurde banden; daaraan kon je zien wie je tegenstander was. Aan hun voeten espadrilles, schoenen gemaakt van canvas of katoen met een zool van gevlochten hennep of jute.

Verderop in de tentoonstelling stond een paar feestespadrilles versierd met kleurig borduurwerk.

Naast de rijke kleding was er ook een ontroerend verstelde draagzak van een muilezel te zien. Geweven van drie verschillende kleuren wol in een ruitpatroon. Wat zal hier allemaal in vervoerd zijn, van waar en waar heen? Wie heeft die buidel zo prachtig versteld zodat hij nog een tijd mee kon gaan?

Toen ik een boek zag met weefpatronen werd me ineens wat duidelijk. Tijdens die zomervakantie was ik bij de Emmaüs kringloopwinkels gevallen voor geruite tafellakens.

Er waren er met een naturelkleurige ondergrond en daarop rode en groene geweven strepen.

In de tentoonstelling zag ik dat zulke lakens werden geweven bij Tissage Moutet in de plaats Orthez.

Het rood met witte tafellaken dat ik dit jaar vond blijkt ook een Baskische oorsprong te hebben.

Zonder het te weten had ik Baskisch tafellakens gekocht, waarschijnlijk geweven bij Tissage Moutet. Voordat ze huishoudtextiel gingen weven weefden ze linnen lappen in naturel katoen of linnen met zeven strepen die de zeven Baskische provincies voorstellen.

Deze waren bedoeld om koeien te beschermen tegen de hitte in de zomer. Tegenwoordig zie je dit niet meer. Ik had een mail gestuurd naar Tissage Moutet met de vraag of mijn tafellakens bij hen geweven kunnen zijn. Vanmorgen kreeg ik dit antwoord.

Dear Jan, Thank you for your interest in our weaving. Our company has an extraordinary stock of archives since 1874 and we have products that are similar to those you have found. I can’t tell you if they were woven in our workshop. They certainly come from one of the 15 workshops in Bearn and the Basque country that existed in 1950. We offer visits in French, German or English every Thursday, starting at 10.30 am and 2.30 pm. The visit is free or by reservation on 0559691433 or camille@tissage-moutet.com We will be happy to welcome you and show you our know-how. Best wishes, Camille

Hoe leuk om dit antwoord te krijgen en dat bezoek gaat er zeker een keer van komen.

Naast Tissage Moutet zijn er nog drie andere weverijen die huishoudtextiel maken. Dat zijn Lartigue 1910 (in Ascain en Bidos), Tissage de Luz (in Espelette) en Artiga (in Magescq). De eerste drie weverijen bestaan al meer dan honderd jaar, de laatste nu 23 jaar. Ze maken weefsels vol Baskische elementen maar ook moderne ontwerpen. Behalve tafellakens ook hand- en theedoeken, servetten, schorten en tassen, stof voor de bovenkanten van espadrilles.

Ik kocht een paar espadrilles in Mauléon, de stad waar ze worden gemaakt.

Of de stof van mijn espadrilles is geweven door een van die weverijen kan ik niet zeggen.

Baskenland raakt me. Ik wil er graag nog eens naar terug om het Museo Cristobal Balenciaga in Getaria (Spanje) te bezoeken en om meer te weten te komen van de bijzondere tradities van het land. Wie weet zie ik dan deze dansers met belletjes aan hun broekspijpen in het echt.

36. Geweven werelden in Aubusson

Lang geleden, ik was begin twintig, volgde ik een weefcursus bij de Volksuniversiteit in Zutphen. Mevrouw Visser was de docent en van haar leerde ik de basisbeginselen over ketting en inslag, haspelen, kruislatten, inrijgen, en nog heel wat meer. Ik weefde met allerlei garens op een weefgetouw met vier schachten. Een zachte, wollen omslagdoek voor mijn moeder, katoen en linnen placemats in lila en blauwe ruiten, tafellopers in verschillende structuren en als klap op de vuurpijl een lap voor een jasje geweven van zelfgesponnen, witte wol. Mijn moeder moest dat jasje overigens in elkaar zetten, want een kledingstuk maken kon ik toen nog niet. Waar al die weefsels zijn gebleven, weet ik niet. Ik heb er niets meer van. Wel weet ik dat ik toen achter het weefgetouw erg  genoot.

Af en toe kijk ik op Marktplaats naar weefgetouwen en soms droom ik stiekem over zachte shawls weven in allerlei kleuren en structuren. Dagen daarmee bezig zijn en helemaal opgaan in het ritme van het kruisen van de draden met een mooie shawl als resultaat! Mijn vriendin Tiny Beunk weeft veel en haar prachtige weefsels verkoopt ze via haar Etsy shop.

Elke zomer als we in centraal Frankrijk zijn, gaan we een dag naar Aubusson in het departement Creuse.

Aubusson is eeuwenlang de stad van de weverijen geweest. Er zijn er nu nog een paar in werking; in het verleden was er een weverij op elke hoek.

Met versleten letters staan er nog fabrieksnamen op een paar gebouwen. De Manufacture Braquenié sloot in 1992 zijn deuren.

Op de muur van Manufacture Royale Saint-Jean, een nog werkende weverij en tevens museum, staat: In Aubusson laat wol de muren zingen.

Daarbinnen is er een wereld van wol in uiteenlopende kleuren, op strengen en klossen, op weg om ooit eens in een wandtapijt terecht te komen.

Wandtapijten vulden in het verleden wanden van kastelen en paleizen. Om indruk te maken en ook om de kou buiten en de warmte binnen te houden. Alleen rijke families konden het zich permitteren om zo’n wandtapijt te kopen. De wevers verdienden bijna niets. Ze werden uitgebuit, maakten lange dagen in de weverij, kregen het aan hun rug en andere mankementen. Tegenwoordig zijn de werkomstandigheden veel beter; de tapijten worden gemaakt voor musea en kunstliefhebbers. Soms wordt de computer gebruikt, maar in Aubusson gaat het voornamelijk handmatig. 

Gevel La Cité Internationale de la Tapisserie Aubusson

Om inzicht te krijgen in wat er komt kijken bij het weven van een wandtapijt ga je naar het kleurrijke, moderne gebouw van de Cité Internationale de la Tapisserie. Daar vind je alle informatie over weven. Van het spinnen en verven van de garens als start van het proces tot aan het resultaat.

 Vroeger gebruikten ze in Aubusson alleen wol van schapen uit de regio. Die wordt nog steeds gesponnen in de spinnerij van Fonty. Naast het gebruik van de natuurlijke tinten wordt het garen ook geverfd. Dat gebeurde eertijds met plantaardige verfstoffen als indigo en meekrap, nu met synthetische verf. Er worden tegenwoordig ook andere garens gebruikt zoals linnen en zijde.

In het museum zie je wat er bij het uitvoeren van het proces nodig is: het ontwerp, de schets, de kleur en keuze van de garens, de proefstalen en het uiteindelijke resultaat.

Daarnaast is het museum ook een centrum van onderzoek en restauratie, er worden ook nieuwe tapijten geweven.

Bijvoorbeeld het grote wandkleed ‘Le voyage de Chihiro’ naar aanleiding van een Japanse animatiefilm van de beroemde regisseur Hayao Miyazaki.

Een clip van de film Le voyage de Chihiro

In een ander deel van het museum kom je modern weefwerk tegen. Is dat een stuk blauw plastic dat daar hangt? Nee, natuurlijk niet. Het ontwerp van Marie Sirgue is geweven in Atelier A2 en heeft de titel Bleue (2016).

Zestien kleuren blauw zitten erin en de nestels zijn geborduurd met zilvergaren.

‘La Corde’ (2003) heet het werk van Mathieu Mercier. Even denk je dat er een sisaltouw tegen een zwarte wand hangt.

Van Jacques Lagrange hangt er het vrolijke, bijna bewegende wandkleed met de titel ‘Combat anachronique (1980).

‘After laughter comes tears’ (2021) van Romain Bernini laat een figuur zien omringd door kleurige vlekken.

Van dichtbij zie je hoe ongelofelijk veel kleuren er gebruikt zijn.

Dan, na al die prachtige moderne weefsels, loop je een grote ruimte in waar je de geschiedenis van wandtapijten te zien krijgt. Van de 15de tot de 20ste eeuw.

De ‘Millefleurs á la licorne’ uit 1480-1510 ontvangt je als eerste. Met verschillende bloemen op de achtergrond draagt de eenhoorn een rood wapenschild op zijn linker- en een helm op zijn rechterpoot.

Elk jaar raakt dit weefsel me en maak ik foto’s van de bloemen. Het origineel moet veel groter zijn geweest, gezien het feit dat de weefsels abrupt stoppen aan de zijkant.

Detail Pastor Fido (1860, Atelier de la Marche

Aan voeten zeventiende-eeuwse schoenen.

Op een tapijt uit de tweede helft van de 18de eeuw zie je medaillons vol romantische scenes, omlijst door spetterende bloemguirlandes.

Het absolute hoogtepunt voor mij is het reusachtig grote tapijt uit de 19de eeuw van een exotisch aangeklede olifant met daarop liggend een dame met een waaier.

Omgeven door een wereld vol vogels en bloemen neemt de olifant mij altijd mee naar een ongekende toverwereld.

Sonia Delaunay

Bij de Navel van van Jean Arp uit 1961 schreef Jos van Hest het volgende gedicht.

nombril

rondje van het begin
oog dat niet kan kijken
dichtgeknoopte toegang
slot voor altijd op slot
middelpunt van het lijf
eeuwige moederbinding
broche op de buik
medaille voor het leven

Het kleinood van 12,8 cm x 12,8 cm moest acht keer worden geweven voordat het een goede navel werd.

Victor Vasarely
Georges Braque
Le Corbusier

De afdeling van de 20ste eeuw laat weefsels zien ontworpen door bekende kunstenaars zoals Sonia Delaunay, Jean Arp, Le Corbusier, Victor Vasarely en Georges Braque, die zijn uitgevoerd in een weverij in Aubusson.

Natuurlijk hangt er ook werk van mijn favoriet Jean Lurçat. Zijn geweven werelden zijn rijk aan bloemen, vogels, sterren en manen en maken je altijd vrolijk.

Ooit, toen ik zijn kasteel en atelier had gezien in Saint-Cere, schreef ik er een artikel over in het Engels op een ander blog. Misschien moet ik het er in TextielLiefde nog eens uitgebreider over hebben.

Graag fotografeer ik in het museum in Aubusson details van tapijten.

Dat kunnen hoeden zijn of bloemen; afgelopen zomer waren het hoofden van mens en dier.

Detail 18de eeuws wandtapijt
Detail wandtapijt Jean Lurçat
Detail La Famille dans la Joyeuse Verdure (2013) ontworpen door Léo Chiachio
Le rencontre du cannibale et des carnassiers (1983), Daniel Riberzani

Het blijft heerlijk om met een specifieke blik rond te lopen en te kijken.

Elke zomer is er in het theater Jean Lurçat een speciale tentoonstelling georganiseerd door de Cite. Een aantal jaren geleden zag ik daar het indringende werk Ghost_Horseman_of_the_Apocalypse_in_Cairo_Egypt.jpg ontworpen door Clément Cogitore in 2019. Het laat een geweven filmshot zien van het protest in 2011 op het Tahirplein in Cairo. Op deze video zijn de originele beelden te zien.

Dit jaar, met het thema natuur zag ik zwarte kraaien vliegen over het tapijt van Pascal Haudressy  (1968-2021).

Ondertussen heb ik honderden foto’s van al die prachtige weefsels en de komende jaren zullen er nog wel een paar bij komen.

Project Tolkien (2008)

Nou vooruit dan, nog een paar om van te genieten.

Pierre Dubreuil, Les quatre saisons ou les âges de la vie (1941)
Dom Robert, Detail Les enfants de lumière (1941)
Antoine Marius Martin, Le Bouc (1941)
Detail Le Bouc
Elie Maingonat, detail L’automne (1947)
Diane de Bournazel, detail Bordure des Bois (2013)
Detail wandtapijt Picasso
Detail wandtapijt Dom Robert
Robert Delaunay

35. De wereld van Fortuny

Op een avond deze lente voeren we in Venetië met de vaporetto over het Canal Grande van het eiland Giudecca naar het San Marcoplein. Ineens stond daar, bovenop een groot gebouw, de verlichte naam FORTUNY. Ik wist direct waar die naam naar verwees. Mariano Fortuny, stof- en modeontwerper, schilder, fotograaf, decor- en kostuumontwerper,  vormgever van lampen en bovenal een zeer bijzondere kunstenaar.

Fortuny werd geboren op 11 mei 1871 in Granada, Spanje en overleed op 3 mei 1949 in Venetië. Hij kwam uit een artistiek gezin; vader Marià Josep Maria Bernat Fortuny i Marsal schilderde en moeder Cecilia de Madrazo verzamelde historisch textiel. Zijn vader overleed toen Mariano drie jaar was. Even daarna vertrok zijn moeder met hem naar Parijs om daar hun leven voort te zetten.

Al jong kwam de kleine Mariano in contact met veel verschillende stoffen die een grote aantrekkingskracht op hem hadden. Zijn kleur- en materiaalgevoel moet daar al ontstaan zijn.

In 1889, hij was toen 18 jaar, werd Parijs vaarwel gezegd en verhuisde hij naar Venetië. Daar zou hij verder zijn hele leven blijven wonen. In zijn jonge jaren reisde hij veel door Europa en hij kwam in contact met kunstenaars, theatermakers en muzikanten. Hij was gevoelig voor de tijdgeest. De Ballets Russes met kostuums van ontwerper Léon Bakst traden op in alle grote steden van Europe. Het exotische oosten kwam naar het westen en dat gaf hem veel inspiratie. Hij ging in de weer met kaftans als uitgangspunt en experimenteerde volop met drapeertechnieken. Dat deed hij met zijde en zijdefluweel waarop dessins werden gedrukt.

Links de vader van Mariano en recht zijn vrouw Henriette.

In 1897 ontmoete hij Henriette Negrin met wie hij later trouwde. Henriette en hij woonden in het Palazzo Pesaro degli Orfeo; daar hadden ze ook een klein atelier; ze ontwierpen en bedrukten er stoffen. Henriette had eveneens een grote liefde voor textiel en samen werkten ze aan veel modeprojecten. Zij stierf in Venetië op 15 mei 1976 en ze doneerde het stadspaleis aan de gemeente Venetië. Voorwaarde was dat het palazzo een museum moest worden met de naam Museo Mariano Fortuny y Madrazo.  

Ik zag voor het eerst stoffen van Fortuny in 1998 op de tentoonstelling ‘Adressing the Century, 100 Years of Art & Fashion’ in de Londense Haywarth Gallery. Zijn wonderlijk geplisseerde zijden stof fascineerde me direct, want hoe was die gemaakt en hoe bleven die rimpels erin zitten? Doorgaans zit in een geplisseerde stof een deel polyester die ervoor zorgen dat de plooien erin blijven. Maar dit was zijde zonder polyester!

Vijf jaar geleden in september was ik voor het eerst in dat magnifieke palazzo. Ik was diep onder de indruk van al die etages vol stoffen, kleding en kunst. Statige trappen brachten me naar alle verdiepingen. Ik kreeg het gevoel dat ik bij Mariano en Henriette op bezoek was, dat zij me zo zouden kunnen opwachten voor een gesprek.

Banken met kussens in verwassen kleuren (tijdens het kijken nu naar de foto’s van toen zie ik dat de bekleding van de banken behoorlijk versleten was.) Ik vond het artistiek en bohemien. Het was in de tijd van een Biënnale en ook in het Museum Fortuny was werk van kunstenaars uit de hele wereld te zien.

Het werk ‘Revelation’ van El Anatsui zweefde door de ruimte en het gordijn ‘Hare Apparent’ van Izhar Patkin hing voor een wandschildering van Fortuny.  

Dit jaar wou ik naar het museum terug en ik had geluk. Begin mei opende het museum zijn deuren weer na een lange tijd van renovatie. De grote overstroming in 2019 in Venetië had ook het museum Fortuny ernstig aangetast. Jammer was het dat nu alleen de eerste verdieping voor bezoekers toegankelijk was. Het is de vraag of de rest van het stadspaleis ooit weer wordt opengesteld.

Maar ik kwam opnieuw terecht in de droom van Fortuny. Hij keek me in een ruimte op de eerste verdieping aan, Oosters gekleed in een kaftan en met een tulband op zijn hoofd, natuurlijk gemaakt van zijn eigen stoffen.

Dan loop je een grote, hoge kamer in waar zoveel mooie dingen staan en hangen dat je even de tijd moet nemen op dat alles op je in te laten werken.

Bedrukt fluweel in schitterende kleuren bedekt de wanden.

Schilderijen van vrouwen (hij heeft er meer dan 150 geschilderd) boven een bank vol gekleurde kussens in verschillende stoffen.

Op een kastje glazen vazen in felle kleuren.

Oosters aandoende lampen aan het plafond. Hoe mooi zal dit zijn als de avond gevallen is.

Bustes die je aankijken.

Middeleeuws aandoende theatrale gewaden in donkere kleuren.

Een zijkamer links vol wandschilderingen en meubels die uitnodigen om er de rest van de dag te blijven en te lezen in een boek over de ondergang van die prachtige stad aan de lagune.

De volgende kamer.

Daar stonden ze, in het midden op een podium: de schitterend gekleurde, zijden, geplisseerde Delphos jurken en model Peplos, een korte tuniek met bijpassende rok.

In 1909 ontworpen door Henriette en niet zoals vaak gedacht door Fortuny. Hij was wel de ontwerper van de stof die ervoor is gebruikt en die zo bewerkt is dat de plooien erin blijven.

Een cilinder van stof is het, lichaamsvolgend en aan de zijkant sluitend met lint en kleine glazen kraaltjes van het glaseiland Murano.

De inspiratie voor deze kledingstukken kwam van het bronzen beeld De Wagenmenner van Delphi,  gemaakt in de vijfde eeuw voor Christus. Het doet me denken aan de ontwerpen van de onlangs overleden Japanse modeontwerper Issey Miyake.

Hij is onder andere bekend geworden met zijn geplisseerde kleding. Miyake deed dat in een moderne vorm door gebruik te maken van polyester zodat de plooi er altijd in blijft. Maar hoe deed Fortuny dat? Dat is tot nu toe een geheim!

De zittende en staande figuren in deze kamer zijn beeldschoon gekleed en dramatisch opgesteld met zijden en kanten lappen om hun hoofden gewikkeld.

Gouden spiegels en een Grieks aandoend schilderij aan de wanden. Soms is iets zo mooi dat het je adem beneemt.

Op Etsy zag ik overigens dat er een aantal Delphos jurken aangeboden worden. Een groenblauwe uit 1910-1920 gaat weg voor € 12.842,- ; een zalmroze uit dezelfde periode moet ook dat bedrag opbrengen.  

Via twee kamers met harnassen en weer schitterende gewaden beland je uiteindelijk in het atelier van de meester zelf.

Daar vliegen engelen over de wanden en er staat een klein, prachtig zelfportret van de man die met zijn bijzondere vrouw in dit grandioze palazzo heeft gewoond en gewerkt.

Wonderlijk overigens dat de geboortedatum en -plaats van Henriette (4 oktober 1877, Fontainebleau) niet op de herdenkingssteen staan die te zien is als je de stenen trap neemt naar de benedenverdieping.

Thuis in Amsterdam kom ik erachter dat de tuin bij de fabriek van Fortuny te bezichtigen is en dat je de toonzaal kunt bekijken. Dat ga ik een volgende keer zeker doen. En dan ga ik ook weer terug naar dit museum om me opnieuw onder te dompelen in de rijke sfeer die er in dit palazzo heerst.

34. Een Roma-verhaal in textiel

Gedragen kleding vertelt verhalen. Er kan een geschiedenis van een mensenleven in zitten. Op de academie tijdens lessen kostuumgeschiedenis van de geweldige Rianet Knevel en Elly Lamaker kwam ik daarachter. Kleding is je tweede huid en dat kan veel betekenen.

Zo moet er in het tweedehands werkmansjasje dat ik een paar jaar geleden voor een habbekrats kocht in een kringloopwinkel in Frankrijk het verhaal van een man zitten. Aan de binnenkant is op het label nog net ‘Le Perroquet’ (de papagaai) te lezen.

De werkman moet het vaak hebben gedragen. Aan de verkleuring aan de buitenkant is te zien dat het veel is gewassen. De stof is er heel zacht door geworden, maar door de goede kwaliteit zijn er geen slijtageplekken. Wie de drager was, weet ik natuurlijk niet, hoe oud het jasje is evenmin. Op internet vond ik de naam van het bedrijf dat de kleding destijds produceerde. Wie weet krijg ik antwoorden op de vragen die ik hen per mail stuurde.Ondertussen is het jasje verder aangevuld met mijn persoonlijke geschiedenis. Ik draag het vaak en met plezier, nam het ook mee op onze vakantie afgelopen mei naar Italië. Aan het einde van die vakantie bezochten we de Biënnale in Venetië. Daar droeg ik het jasje elke dag.

Altijd heerlijk om in Venetië te zijn en te genieten van kunst van kunstenaars uit de hele wereld. Veel onbekende namen die vaak helaas niet bekend zijn door de beperkte blik van de westerse kunstconservatoren en critici.

Werk van textiel was natuurlijk ook te vinden op de Biënnale. Een absoluut hoogtepunt voor mij was het Poolse paviljoen in de locatie Giardini. Aan de gevel hingen grote wandkleden met daarop ‘the wheel of fortune’ uit de tarotkaarten. De Poolse/Roma kunstenaar Małgorzata Mirga-Tas vertelt beeldend de geschiedenis van de Roma, de grootste Europese etnische minderheid, waartoe ze zelf ook behoort. Het is de eerste keer in de geschiedenis van de Biënnale dat een Roma-kunstenaar exposeert. Dat kun je zien als een rehabilitatie.

Binnen in het Poolse paviljoen zijn alle wanden van onder tot boven bekleed met twaalf wandkleden vol kleuren, mensen en dieren. Elk wandkleed bestaat uit drie horizontale delen oftewel friezen.

Op de bovenste is de geschiedenis van de Roma te zien, de migratie van een volk naar en door Europa. Een volk dat helaas nog steeds met discriminatie en uitsluiting te maken heeft. Mannen en vrouwen op paarden, gekleed in traditionele kleding, vaak bont van kleur. Kinderen lopen erbij. Onderweg wordt gekookt op open vuur. Een kind wordt geboren te midden van een groep vrouwen die de moeder ondersteunen.

Wat beelden verder wordt het kind ingebakerd en de reis hervat. Een vaste woonplaats is er niet. Vroeger woonden de Roma in tenten, later in woonwagens. Nu zijn er grote groepen die een vaste woonplaats hebben.

Het middendeel van alle wandtapijten gaat over de vrouwen en mannen die belangrijk zijn in het leven van de kunstenaar Małgorzata Mirga-Tas. Ze worden verbonden met tekens uit de dierenriem en tarotkaarten. Waarzeggen en kaartleggen neemt in het leven van Roma-vrouwen een belangrijke plaats in.

Op de wandkleden zijn onder andere te zien zangeres Krystyna Perła Markowska met haar kleinzoon Antoni,

Luister hier naar de fantastische stem van deze zangers

Alfreda Noncia Markowska die Joodse en Roma kinderen redde geduren de Tweede Wereldoorlog,

kunstenaar Ceija Stojka  

en Józefa Mirga, grootmoeder van de kunstenaar. Veel van deze namen zeiden mij niets maar na zoeken op internet werd me duidelijk waarom ze zo belangrijk zijn voor de kunstenaar. Het zijn sterke vrouwen en mannen die zich uitspreken over onrecht en die de rijke cultuur van de Roma doorgeven en laten zien. 

Op de onderste laag van de wandtapijten zijn scènes te zien uit het dagelijks leven van de Roma in alle seizoenen.

Houten huizen in een winters landschap.

Een groep oudere vrouwen drinkt koffie met elkaar. Hun gesprek kun je bijna horen.  

Kleurig wasgoed van een familie wordt opgehangen aan een lijn.

In een kamer wordt kaart gespeeld; een man kijkt van achteren toe. Wie heeft de juiste kaarten om straks te winnen, zie je hem denken.

Voor een feest wordt een kip geslacht. Overal lopen honden.

Een kar met paarden op een veld waarop aardappels worden geoogst.

Vrouwen hebben shawls om hun hoofd geknoopt; jongeren hebben natuurlijk petjes op en dragen hoodies.

Geconcentreerde gezichten bij een groep handwerkende vrouwen.

Een oude vrouw ligt op bed. Is ze ziek of rust ze uit?

Wie wordt er begraven en wie zijn de mannen die de kist op hun schouders dragen? Is die vrouw misschien de weduwe en ligt haar man in de kist? Is het misschien die oude vrouw op bed die is gestorven en die door haar zonen naar haar laatste rustplaats wordt gebracht?

Vroeger was de cultuur van de Roma vrij gesloten. Het was niet gepast en soms zelfs verboden om informatie naar buiten te brengen. Misschien uit veiligheidsoverwegingen? Uit de school klappen werd soms gezien als verraad. Je kon dan verbannen worden uit de groep.

Dat is gebeurd met de dichter Bronisława Wajs ook wel genoemd Papusza die in haar werk te veel vertelde over het leven van de Roma. Gelukkig mag je nu als buitenstaander wel binnenkomen in hun rijke cultuur.

Małgorzata Mirga-Tas werd in 1978 geboren in Zakopane. Ze woont en werkt in het zuiden van Polen, in een Roma-nederzetting in Czarna Góra. Behalve kunstenaar is ze ook docent en activist. Ze komt uit een cultuur waarin textiel een grote plaats heeft in het dagelijks leven van vrouwen. Denk aan interieurs van woonwagens en tenten, geweven kleden op de vloer, quilts op bedden en handgeweven kussen op banken. Kleding vol borduursels met betekenissen. De geschiedenis van Roma-vrouwen is terug te vinden in de textiel om hen heen. Die gaf veiligheid, identiteit en zorgde voor huiselijkheid en schoonheid. Bij een familie horen is belangrijk. Familieleden geven je liefde en intimiteit, zeker in een wereld waarin je als groep niet gewenst bent. Eeuwenlang zijn Roma geconfronteerd met dreiging, agressie en verlies. De vernietiging van veel Roma in de Tweede Wereldoorlog is een tragisch en troosteloos dieptepunt. Zij waren niet gewenst en in bepaald opzicht geldt dat nog steeds.

‘Re-enchanting the world’ is zoals Małgorzata Mirga-Tas zelf zegt een schilderij maken van fragmenten textiel. Deels van kleding van familie en vrienden, maar voor dit grote werk op de Biënnale kocht ze ook tweedehands kleding in de buurt waar ze woont. Er zitten levens in die textiel, geschiedenissen en energie, dat kun je zien.

Haar werk is geïnspireerd op fresco’s uit de late 15de eeuw in het Renaissance Palazzo Schifanoia in Ferrara. Die muurschilderingen, werk over onder andere de allegorieën van de maanden, zijn geschilderd door verschillende kunstenaars. Het werk van Małgorzata is ook gemaakt met hulp van drie professionele naaisters: Halina Bednarz, Malgorzata Brońska en Stanisłava Mriga. Vijf maanden werkten ze in de hal van het historische hotel Imperial in Zakopane, dat tijdelijk gesloten was voor renovatie.

De vloer was bezaaid met kleding vol kleuren en dessins; daaruit moesten de goede keuzes gemaakt worden. Op grote witte lappen werden voorstellingen getekend waarop het kunstwerk zou ontstaan. Gewerkt werd er op naaimachines van het merk Minerva. Minerva, de godin van het verstand, vindingrijkheid en wijsheid hielp mee met het maken.

De wandtapijten van Małgorzata Mirga-Tas laten een wereld zien die voor een groot gedeelte is verdwenen, een wereld ook die niet gezien mocht worden. Ze repareert de tragische geschiedenis van een volk. Haar werk gaat echter ook over het helen van de wereld waarin wij met z’n allen leven.

Steek voor steek en met liefde gemaakt is dit een kunstwerk van grote importantie. Hoe meer ik er naar keek en kijk, hoe meer ik dat zie en ontdek.

De prachtige catalogus was in mei op de Biënnale al uitverkocht. Gelukkig kon ik het boek via internet nog kopen. De Biënnale in Venetië duurt nog tot 27 november 2022.